Paul Lauterbur

Paul Lauterbur 1929 – 2007

Leven in een kwantumwereld

De kwantummechanica is een moeilijk onderwerp dat erg abstract, wiskundig en theoretisch is. Over wat ze precies betekent in de superkleine wereld is er tussen wetenschappers en filosofen al meer dan honderd jaar gedebatteerd.

Niemand schijnt die wereld echt goed te doorgronden. Maar in het dagelijks leven komen we effecten van de gebeurtenissen in die wereld voortdurend tegen. In het domein van energie bijvoorbeeld de zonnecel, in de beeldvorming binnen de geneeskunde bijvoorbeeld de PET, in ICT de harde schijf, in fysicaonderzoek de LHC-deeltjes versneller (bv. in de CERN), in de informatica en de communicatie de smartphone, de computer, de tablet …. en in nog zoveel meer.

Elke kwantumtoepassing is eigenlijk een brug tussen een totaal vreemde wereld en de wereld van elke dag. Een mooi voorbeeld hiervan is de MRI-scanner die je bij ons in vele ziekenhuizen zal vinden. Hij steunt op onder andere twee kwantumeigenschappen van de kwantummaterie, nl. de spin van een atoomkern en de supergeleiding bij lage temperatuur.

In ‘gewone’ taal zijn die niet uit te leggen. Maar iedereen kent wel de MRI. Toegepaste wetenschappen verbinden twee werelden met elkaar. Een heel belangrijk en typisch voorbeeld hiervan is Paul Lauterbur die voor het eerst het idee kreeg om kernspinresonantie in de medische beeldvorming geneeskunde toe te passen. Hij kreeg er de Nobelprijs voor geneeskunde voor samen met Peter Mansfield. Paul Lauterbur staat eigenlijk als symbool voor de vele andere ‘bruggenbouwers’.

Tot welke verbazende uitvindingen toepassingen van principes van de kwantummechanica geleid hebben bespreken we in de elf taferelen van deze zaal. Van transistor tot kwantumcryptografie. Bijna altijd kunnen we een beroep op de wetenschap uit de andere zalen. De enkele keren dat dit niet zo is, wordt in het betreffende tafereel zelf uitgelegd.

Weefsels die magnetiseren…

Beeldvorming met magnetische resonantie (MRI)

Magnetic resonance imaging (MRI) is een medische beeldvormingstechniek die niet-invasieve twee- of driedimensionale beelden met een relatief hoge contrastresolutie van de binnenkant van het lichaam geeft.

MRI is gebaseerd op het principe van kernmagnetische resonantie, dat gebruik maakt van de kwantum-eigenschappen van atoomkernen en een belangrijke techniek is voor de spectroscopie in chemische analyse. NMR (Nuclear Magnetic Resonance) maakt gebruik van het feit dat de kernen van bepaalde atomaire isotopen een spin-magnetisch moment (zie zaal Linus Pauling) hebben. Dit geldt met name voor het waterstofatoom, dat in grote hoeveelheden voorkomt in de moleculen waaruit biologische weefsels bestaan, zoals water (H2O) en organische moleculen.

Wat is MRI?

Magnetisch veld B0

Voor MRI is een sterk, stabiel statisch magnetisch veld B0 nodig. Dat wordt geproduceerd door een supergeleidende magneet, die in de weefsels magnetisatie creëert door de spin-magnetische momenten (spin: zie zaal Linus Pauling) uit te lijnen van sommige atoomkernen.

Er zullen meer spins parallel dan anti parallel met dit veld georiënteerd zijn. Er ontstaat een netto magnetisatie in de z-richting. Dit is de longitudinale magnetisatie.

Relaxatie

Vervolgens worden de weefsels met zwakkere oscillerende magnetische velden uit het radiofrequentie gebied loodrecht op stabiele magnetisch veld B0 bestraald. Hierdoor komen de atoomkernen in een hogere energietoestand en gaan ze ‘precesseren’ in het transversale vlak. Na het stoppen van de radiofrequentie puls groeit de longitudinale magnetisatie (volgens B0 ) met een karakteristieke tijd T1 exponentieel terug naar zijn evenwicht. De transversale magnetisatie (loodrecht op B0 )verdwijnt exponentieel met een karakteristieke tijd T2. Dit proces wordt relaxatie genoemd.

Tijdens deze relaxatie ontstaan meetbare elektromagnetische signalen die worden opgevangen door de ontvangstspoel.

Een waterstofkern kan worden gezien als een magnetische tol die om zijn as draait. Een zwak oscillerend magnetisch zorgt voor precessie van de tol  waardoor meetbare elektromagnetische stralen ontstaan.

MRI Scanner

Het lokaliseren in de ruimte van de bron van deze geïnduceerde EM signalen gebeurt door niet uniforme statische magnetische velden over het te onderzoeken weefselgebied (gradiënten) te schuiven. Dit veroorzaakt, naargelang van de plaats, precessies met licht verschillende frequenties. Door het registreren van deze frequenties wordt het dan mogelijk om een tweedimensionaal of een driedimensionaal beeld te reconstrueren van het onderzochte biologische weefsel.

Bij MRI worden voornamelijk waterstofatomen gebruikt, waarvan de resonantiefrequentie bij 1 tesla (1 T= Vs/m²)  rond de 42 MHz/T ligt, wat overeenkomt met het bereik van radiogolven. Voor het waterstofatoom, dat uit één enkel proton bestaat, is het kernmagnetisch moment relatief sterk. Dit heeft als gevolg dat de magnetische resonantie van waterstof een zeer duidelijk en gemakkelijk waarneembaar resonantieverschijnsel creëert.

>> Hoe werkt een MRI Machine (Youtube, Engels)

Historische achtergrond

Felix Bloch & Edward Purcell

Het natuurkundige fenomeen achter MRI, de nucleaire magnetische resonantie (NMR), werd in de jaren 1930 ontdekt door Felix Bloch (1905-1983) en Edward Purcell (1912-1997).

Het gebruik van NMR voor MRI begon begin jaren 1970, toen onderzoekers het potentieel van NMR voor het maken van beelden van het menselijk lichaam herkenden. Dr. Raymond Damadian (1936 –2022) , een arts en onderzoeker, was een van de eersten die het idee opperde om NMR te gebruiken om kankerweefsel te detecteren. In 1971 publiceerde R. Damadian een baanbrekend artikel waarin hij aantoonde dat NMR onderscheid kon maken tussen normaal en kankerweefsel, wat interesse wekte in de medische wereld.

Paul Christian Lauterbur

Paul Christian Lauterbur (1929 – 2007) was een Amerikaanse chemicus. Hij ontwikkelde in 1971 een techniek om ruimtelijke informatie te coderen in een NMR-signaal met behulp van magnetische veldgradiënten. In 1985 werd hij hoogleraar aan de University of Illinois in Urbana-Champaign, waar hij 22 jaar lang tot aan zijn dood bleef. Hij is nooit gestopt met het werken met studenten aan onderzoek. In 2003 deelde hij met Peter Mansfield (1933 – 2017) de Nobelprijs voor Fysiologie en Geneeskunde voor zijn werk in Magnetic Resonance Imaging (MRI).

Rond die Nobelprijs ontstond een controverse toen hij paginagrote advertenties plaatste in The New York Times, The Washington Post en The Los Angeles Times met als kop “The Shameful Wrong That Must Be Righted“. Hierin klaagt hij aan dat het Nobelcomité hem niet had opgenomen als prijswinnaar naast P. C. Lauterbur en P. Mansfield voor zijn vroege werk aan de MRI. R. Damadian beweerde dat hij MRI had ontdekt en dat de twee Nobelprijswinnende wetenschappers zijn technologie enkel verfijnden.

Het eerste MRI-onderzoek op een levende menselijke patiënt vond plaats op 3 juli 1977.

Praktische achtergrond

In de medische beeldvorming wordt MRI vooral gebruikt voor het in beeld brengen van het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg), spieren, hart en tumoren. Dankzij verschillende sequenties van bestraling kunnen met hogere contrasten dan bij CT-scans zachte weefsels worden bekeken.

Meting van T1 en van T2 leveren andere informatie zoals uit onderstaande afbeelding blijkt.

MRI-beelden zijn niet geschikt voor onderzoek van bot (hard weefsel) omdat het te weinig waterstof bevat.

In tegenstelling tot andere beeldvormende technieken is het MRI, zoals PET onderzoek, niet- invasief en wordt de proefpersoon bijvoorbeeld niet radioactief bestraald. Het is daarom een hulpmiddel bij uitstek voor onderzoek waarbij mensen betrokken zijn, met name in de cognitieve neuro- wetenschap. Vandaag kan de activiteit van verschillende hersengebieden worden gemeten. Dit heeft geleid tot aanzienlijke vooruitgang in het onderzoek naar de neurobiologische grondslagen van het denken.

Na jaren van ontwikkeling is vandaag MRI een krachtige techniek geworden op het gebied van medische beeldvorming en is voortdurend in ontwikkeling.

Ontdek hoe kernspinresonantie de magnetische eigenschappen van atoomkernen gebruikt om signalen op te wekken die in MRI worden omgezet in beelden van het lichaam. Daarbij spelen Larmor-precessie en de T1- en T2-relaxatietijden een sleutelrol.

Duiding: Kernspinresonantie

Halfgeleiders: Kleiner en sneller

Elektrische stroom is het verplaatsen van (meestal) elektronen door een geleider zoals een koperdraad. Dit gebeurt als er een spanningsverschil wordt aangelegd tussen twee punten.

Elektronen zijn gebonden in atomen. Om ze vrij te laten bewegen moet een zekere weerstand overwonnen worden. Die weerstand hangt af van de sterkte waarmee de elektronen gebonden zijn. Hoe kleiner die sterkte hoe minder energie er nodig is om een elektron van een atoom los te maken. Van gebonden elektronen in de valentieband gaan ze over naar de conductieband waarin ze vrijer kunnen bewegen. Ze worden enkel nog in hun beweging gehinderd door botsingen. Dat is het geval voor metalen waar valentieband en conductieband elkaar overlappen.

Als elektronen sterk gebonden zijn in hun atomen is de (energie)afstand tussen valentie- en conductieband groot. Er is dan veel meer energie nodig om hen vrij te laten bewegen. Dat is het geval voor isolatoren. Ertussen bevinden zich de halfgeleiders.

N-type en P-type halfgeleiders

Silicon Valley

Halfgeleiders zijn zeer belangrijk: je vindt ze in het hart van microprocessorchips en transistors. In alles wat gecomputeriseerd is of met radiogolven werkt, wordt gebruik gemaakt van halfgeleiders.

Tegenwoordig worden de meeste halfgeleiderchips en transistors gemaakt van silicium. Je kent vast de naam ‘Silicon Valley’, een gebied in Californië vol hightech bedrijven. Silicium is het hart van elk elektronisch apparaat. Silicium is een veelvoorkomend element. Het is bijvoorbeeld het hoofdelement in zand en kwarts onder vorm van siliciumoxide.

Doperen?

De energieniveaus van elektronen in een atoom verklaren elektrische geleiding. Halfgeleiders steunen op het verstoren van deze energieniveaus door het toevoegen van bepaalde soorten onzuiverheden. Dat wordt doperen genoemd.

Voor het doperen bestaan twee types: N-type en P-type.

N-type doperen

Bij N-type doperen wordt fosfor of arseen in kleine hoeveelheden aan het silicium toegevoegd. Fosfor en arseen hebben elk vijf buitenste elektronen. Ze passen dus niet in het siliciumrooster omdat ze een elektron te veel hebben. Het vijfde elektron heeft niets om zich aan te binden en kan dus vrij bewegen. Er is slechts een zeer kleine hoeveelheid van de onzuiverheid nodig om genoeg vrije elektronen te creëren en om een elektrische stroom door het silicium te laten stromen. N-type silicium wordt dan een geleider. Elektronen hebben een negatieve lading, vandaar de naam N-type.

P-type doperen

Bij P-type doperen zijn de onzuiverheden boor of gallium. Boor en gallium hebben elk slechts drie buitenste elektronen. Wanneer ze in het siliciumrooster worden gemengd, vormen ze ‘gaten’ in het rooster waar een siliciumelektron zich aan niets kan binden. Een gat accepteert met plezier een elektron van een buurman en daardoor verplaatst het gat zich doorheen het materiaal. Gaten kunnen dus stroom geleiden De afwezigheid van een elektron creëert het effect van een positieve lading, vandaar de naam P-type.

N-type + P-type = diode

Diode?

Als je N-type en P-type silicium samenvoegt, krijg je een aantal zeer interessante fenomenen op de plek waar ze samen komen. Dat is wat er gebeurt in een diode.

Een diode is de eenvoudigste halfgeleidende elektronische component. Een diode laat elektrische stroom in de ene richting stromen, maar niet in de andere.

Combinatie n-type en p-type

Hoewel N-type silicium op zichzelf een geleider is, net zoals het P-type silicium, geleidt de combinatie die in het diagram met de batterij is weergegeven geen elektriciteit.

Als je de batterij omdraait, geleidt de diode elektriciteit prima. De vrije elektronen in het N-type silicium worden afgestoten door de negatieve pool van de batterij. De gaten in het P-type silicium worden afgestoten door de positieve pool. Bij de verbinding tussen het N-type en P-type silicium ontmoeten gaten en vrije elektronen elkaar. De elektronen vullen de gaten. Die gaten en vrije elektronen houden op te bestaan en nieuwe gaten en elektronen springen op om hun plaats in te nemen. Het effect is dat er stroom door de verbinding stroomt.

Zonnecellen

De diode is een een eenvoudig voorbeeld van het gebruik van N en P-type halfgeleiders. De zonnecel is een ander voorbeeld.

Transistor

Transistor?

Een transistor is een halfgeleiderapparaat dat wordt gebruikt om elektronische signalen te versterken of te schakelen. Er bestaan verschillende soorten transistors. Een NPN-transistor bestaat uit drie regio’s: emitter E, base B en collector C, elk met verschillende dopingniveaus.

De afmetingen van een transistor kunnen variëren tussen enkele cm tot enkele nanometer.

De eerste transistor

De eerste op silicium gebaseerde transistor werd geproduceerd door Texas Instruments in 1954. Dit was het werk van Gordon Teal (1907 – 2003), die eerder ook voor Bell werkte.

Moderne chips

Moderne chips bevatten enkele miljoenen tot enkele miljarden transistors. De verwachting is dat dit aantal op korte termijn tot enkele biljoenen zal oplopen.

In 1956 kregen John Bardeen (1908 – 1991), Walter Brattain (1902 – 1987) en William Shockley (1910 – 1989) van Bell Labs de Nobelprijs voor Natuurkunde voor hun onderzoek naar halfgeleiders en de ontdekking van het transistoreffect.

De wereld verlicht door dioden

Een LED (Light Emitting Diode) is een opto-elektronisch apparaat gemaakt van halfgeleidend materiaal zoals gallium, arseen of fosfor, dat licht uitzendt wanneer er een elektrische stroom doorheen gaat.

Light Emitting Diode

p-n-overgang

Een LED bestaat uit een p-n-overgang in een halfgeleidermateriaal.

Het ‘p-gedeelte’ heeft een overschot aan gaten (positieve ladingsdragers), het ‘n-gedeelte’ heeft een overschot aan elektronen.

Stroom en recombinatie

Wanneer je de LED in de doorlaatrichting aansluit, worden elektronen uit het n-gebied en gaten uit het p-gebied naar de overgang geduwd. Daar recombineren elektronen en gaten: het elektron valt van een hogere energietoestand in het geleidingsband naar een lagere energietoestand in de valentieband.

Het energieverschil komt vrij als monochromatisch licht.

Kleur van het licht

De kleur (golflengte) hangt af van het halfgeleidermateriaal en de bandgap-energie.

  • GaAs (galliumarsenide) → infrarood
  • GaP (galliumfosfide) → rood/geel/groen
  • GaN (galliumnitride) → blauw/wit

LED-lamp als geheel

In een lamp zitten vaak meerdere LED-chips. Voor wit licht wordt meestal een blauwe LED gebruikt met een geel fluorescerend fosforlaagje dat een deel van het licht omzet naar geel. Menging geeft wit.

Er zit een driver in de lamp die de netspanning (230 V AC) omzet naar een lage, constante gelijkstroom voor de LED’s.

Voordelen

  • Hoge efficiëntie (weinig warmteverlies).
  • Lange levensduur (20.000–50.000 uur).
  • Direct vol licht, geen opwarmtijd.

Hoe werkt LED licht?

Toepassingen

LED-lampen zijn alomtegenwoordig in ons dagelijks leven. Hierbij enkele voorbeelden van toepassingen:

Verlichting in huis – LED-lampen vervangen steeds vaker andere soorten lampen.
Beeldschermen en monitoren – televisies, computerschermen en smartphones maken gebruik van LED-verlichting voor de achtergrondverlichting van een LCD-paneel (Liquid Crystal Display). De LED’s verlichten de kristallen op het LCD-scherm, waardoor je de beelden kan zien. Een LED-tv is in wezen een LCD-tv die LED’s gebruikt in plaats van oudere achtergrondverlichtingstechnologieën.
Signalisatie – verkeerslichten, reclameborden en zelfs richtingaanwijzers op elektronische apparaten maken gebruik van LED-lampjes.
Auto – veel moderne voertuigen zijn uitgerust met LED-koplampen en -daglichten.

Communicatie met optische vezels

In de jaren 1970 werd aangetoond dat communicatie met lichtpulsen door optische vezels mogelijk was. Sindsdien hebben in reeds veel gevallen optische vezels de koperdraden vervangen. Het is de bedoeling van de optische vezels weldra ook in de huiskamer te brengen.

Communicatie via optische vezels werkt door lichtpulsen te gebruiken in plaats van elektrische signalen om informatie over te brengen. Hier is een stap-voor-stap uitleg.

1. Omzetten van gegevens in licht

• Een zender (meestal een laserdiode of LED) zet digitale data om in lichtpulsen.
• Dit gebeurt met zeer hoge snelheden — miljarden pulsen per seconde (gigabits per seconde).

2. Transport door de vezel

• Een optische vezel is een dunne draad van glas of kunststof.
• Binnenin zit de kern (core) waar het licht doorheen gaat, omgeven door een mantel (cladding) met lagere brekingsindex.
• Door totale interne reflectie blijft het licht in de kern, ook als de kabel gebogen is.

3. Versterking onderweg

• Bij lange afstanden (meerdere tientallen of honderden km) verzwakt het licht.
• Optische versterkers (bijv. met erbium-gedoteerde vezels) versterken het signaal zonder het eerst om te zetten naar elektrische signalen.

4. Ontvanger

• Aan het einde zet een fotodetector (meestal een fotodiode) de lichtpulsen weer om naar elektrische signalen.
• Elektronica decodeert deze signalen terug naar de oorspronkelijke digitale data.

5. Voordelen van optische vezelcommunicatie

• Zeer hoge bandbreedte → veel data tegelijk.
• Lage signaaldemping → geschikt voor lange afstanden zonder veel versterking.
• Ongevoelig voor
• elektromagnetische storingen.
• Veilig: moeilijk af te luisteren zonder de vezel fysiek te manipuleren.

Supergeleiding: Dicht bij het absolute nulpunt?

Supergeleiding is een kwantummechanisch verschijnsel. Hierbij hebben sommige materialen bij een meestal zeer lage temperatuur geen elektrische weerstand meer.

Het verschijnsel werd op 8 april 1911 ontdekt door de Nederlandse natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes (1853 – 1926) in zijn laboratorium te Leiden. Het lukte hem in 1908 om helium vloeibaar te maken. Daarna begon hij met een reeks experimenten om definitief een antwoord te bekomen over de elektrische weerstand van metalen rond het absolute nulpunt (- 273,14 °C). Uit experimenten was al bekend dat de weerstand afneemt naarmate de temperatuur daalt.

De eerste resultaten over het verdwijnen van de elektrische weerstand publiceerde H. Kamerlingh Onnes op 28 april 1911 in de Verslagen van Koninklijke Academie van Wetenschappen. Op de eerste Solvayraad van november 1911 gaf hij een uitgebreide uiteenzetting van de gevonden resultaten. Hij introduceerde daarin voor het eerst de term ‘suprageleider’ (of super).

Supergeleiding?

Supergeleiding: als er een stroom gestuurd wordt in een gesloten kring uit supergeleidend materiaal zal deze stroom ook zonder aangelegde elektrische spanning blijven rondstromen. Gezien elektrische stroom een magnetisch veld opwekt, kan men op deze manier een permanent magnetisch veld opwekken.

Schematische voorstelling mechanisme van supergeleiding

Cooper-paren

Sinds de ontdekking door H. Kamerlingh Onnes zijn er veel pogingen gedaan om het verschijnsel te verklaren o.a. met de BCS theorie, die ontwikkeld werd door John Bardeen (1908 – 1991, Leon Cooper (1930 – 2024) en John R. Schriefer (1931 – 2019).

Centraal in supergeleiding staat de vorming van Cooper-paren van elektronen. Dit zijn paren van elektronen met tegengestelde spin die elkaar lichtjes aantrekken. De totale spin van het paar is O zodat een dergelijk paar ‘ontsnapt’ aan het uitsluitingsprincipe van W. Pauli en verschillende paren dezelfde energie kunnen hebben. Hierdoor kunnen de paren gemakkelijker door een geleider bewegen dan afzonderlijke elektronen.

Electrische weerstand

Elektronen die de stroom geleiden ondervinden weerstand door botsingen en ver-strooiing als ze bewegen door het rooster van trillende metaalatomen.

Kritische temperatuur

Als het metaal sterk afkoelt, verminderen de trillingen in het rooster. Een bewegend elektron trekt een vlakbij gelegen metaalatoom aan. Er ontstaat een gat dat een nabij gelegen elektron aantrekt.

Cooper-paren

Deze twee elektronen vormen een paar dat minder weerstand ondervindt dan afzonderlijk bewegende elektronen. Er worden zo talrijke Cooper paren gevormd.

Supergeleiding

Als een Cooper paar door een onzuiverheid verstrooid wordt, komt het terug in stap met andere paren. Zo kunnen de elektronen onge-stoord door het rooster bewegen. De weerstand wordt nul en stroom kan jaren blijven bestaan.

Animatie

Cooper pairs | Electron Attraction in Superconductors (4:40)

Supergeleidende magneten

Diamagnetisme

Een belangrijke stap vooruit gebeurde in 1933. Walther Meisner ontdekte samen met zijn assistent Robert Ochsenfeld dat een supergeleider onder een bepaalde kritische temperatuur (Tc) een extern aangebracht magnetisch veld afstoot en er binnen de supergeleider geen magnetisch veld heerst. Dit verschijnsel noemt men diamagnetisme. De magnetische veldlijnen worden als het ware om de supergeleider heen gebogen. Deze oppervlaktestromen zijn zodanig georganiseerd dat het inwendige van de supergeleider afgeschermd wordt voor het uitwendige magnetisch veld.

Supergeleidende magneten

Supergeleidende magneten vinden veel toepassingen. Een groot nadeel is echter dat supergeleiding in de meeste materialen slechts bij bijzonder lage temperaturen optreedt, enkele graden boven het absolute nulpunt. Supergeleidende magneten moeten dus met grote en kostbare installaties worden gekoeld, dikwijls met vloeibaar helium (Kookpunt: -268,9 °C)

Keramische supergeleiders

In de jaren 1980 en 1990 vond men ook supergeleiding bij veel hogere temperaturen in keramische materialen die o.a. koper en zuurstof bevatten. Zo ontdekten Georg Bednorz (°1950) en Karl Müller(°1927) in 1986 een supergeleidend keramisch materiaal met een kritische temperatuur van 35 K. In 1987 kregen ze hiervoor de Nobelprijs voor Natuurkunde. In 1987 werd nog een ander materiaal ontdekt met een kritische temperatuur boven 90 K. Dat is een stuk boven het kookpunt van stikstofgas (77 K) dat veel gemakkelijker te hanteren is dan vloeibaar helium (4 K).

Keramische supergeleiders zijn echter bros (gemakkelijk breekbaar) en dus moeilijk in gebruik.

MRI-Scanner

In praktische toepassingen vinden we voorlopig nog voornamelijk supergeleidende metalen zoals koper en kwik, die met vloeibaar helium gekoeld moeten worden. Het bekendste voorbeeld is wellicht de MRI-scanner in de ziekenhuizen. Om de grote magnetische velden op te wekken zonder enorme warmteontwikkeling gebruikt men supergeleidende spoelen als elektromagneet.

Met zand word je rijk

Wie onder ons weet niet wat een zonnecel of zonnepaneel is? Kijk even rond. Hoeveel daken van huizen of grote velden zijn niet met die panelen bedekt? Als er nu een directe toepassing van de kwantumfysica is, dan is dat wel de zonnecel waar licht in elektrische stroom wordt omgevormd. Een zonnecel is een elektronisch apparaatje dat elektriciteit produceert wanneer het wordt blootgesteld aan licht. Daarom wordt ze vaak ook fotovoltaïsche cel genoemd.

Theoretische achtergrond

De fysische achtergrond is het foto-elektrisch effect (zie Max Planck-zaal). Voortbouwend op een toevallige observatie van Heinrich Hertz ontdekte Willehelm Hallwachs het in 1888 toen hij vast stelde dat licht elektrische ladingen uit een metaal kan los rukken. Albert Einstein vond er in 1905 een verklaring voor door te stellen dat licht uit kwanta bestaat.

Tegenwoordig wordt het metaal waarmee de eerste experimenten van het foto-elektrisch effect werden uitgevoerd vervangen door een halfgeleider. Hierdoor geeft de huidige zonnecel voldoende rendement om de kern te worden van zonne-energie, een hernieuwbare en duurzame energiebron. Zonnepanelen worden steeds belangrijker in onze zoektocht naar alternatieven voor fossiele brandstoffen.

Historische achtergrond

In 1839 onderzoekt de Franse geleerde Edmond Becquerel (1820 – 1891) de effecten van licht op een elektrolytische cel (de voorloper van de batterij) met twee platina-elektroden in een zure oplossing. Daarbij ontdekt hij dat de spanning tussen de elektroden toeneemt als de zilverplaten van de cel worden blootgesteld aan zonlicht. Dit is de ontdekking van het fotovoltaïsche effect.

Tussen de eerste ontdekking van de foto-voltaïsche cel door E. Becquerel en de installatie van zonnepanelen in woonhuizen is men het foto-voltaïsche systeem gaan gebruiken in meerdere gebieden.

Dit mag  niet verward worden met het  foto-elektrisch effect, waarbij specifiek elektronen uit een materiaal worden uitgestoten wanneer er licht op schijnt. Het  werd veel later in 1888 ontdekt door Wilhelm Hallwachs. Het foto-elektrisch effect verklaart het fotovoltaïsch effect. Tegenwoordig worden fotovoltaïsche cellen gebruikt als zonnecellen in zonnepanelen.

Zonnecellen zoals we die nu kennen zijn gemaakt van silicium. Daarom beschouwen sommigen Daryl Chapin, Calvin Fuller en Gerald Pearson’s, die de eerste silicium fotovoltaïsche cel bij Bell Labs in 1954 ontwikkelden, als de ware uitvinders van zonnepanelen. Deze cel kon een elektrisch apparaat meerdere uren per dag van stroom voorzien.

De allereerste siliciumzonnecel kan zonlicht omzetten met een efficiëntie van vier procent, minder dan een kwart van waartoe moderne cellen in staat zijn. Het eerste ruimtevaartuig dat zonne-energie in de ruimte gebruikte, was Vanguard 1, gelanceerd door de Verenigde Staten in 1958. Deze satelliet gebruikte zonnepanelen om een van haar radiozenders van stroom te voorzien. Dit was een belangrijke mijlpaal in de verkenning van de ruimte. In 1981 wordt het eerste vliegtuig op zonne-energie gebouwd.

Zonne-energie werd rond 2020 op sommige locaties de goedkoopste energiebron in de geschiedenis voor nieuwe elektriciteitsopwekking en zal naar verwachting tegen 2025 op veel meer locaties de goedkoopste worden. Deze verschuiving wordt voornamelijk gedreven door aanzienlijke kostenverlagingen bij de productie en installatie van zonnepanelen, samen met ondersteunend overheidsbeleid en een groeiende wereldwijde capaciteit.

Bouw van een zonnecel

Het basisprincipe van een zonnecel is het foto-elektrisch effect, maar in een zonnecel of zonnepaneel spreekt men eerder van fotovoltaïsch effect. Het fotovoltaïsch effect is het proces in een halfgeleider (doorgaans twee lagen silicium in nauw contact met elkaar die verschillend zijn gedopeerd, N en P; zie tafereel 1 ). Er ontstaat een elektrische spanning tussen beide lagen wanneer de halfgeleider door licht wordt bestraald.

Wanneer een foton met voldoende energie op de overgangszone van een fotovoltaïsche cel valt, komt een elektron vrij van het siliciumatoom, waardoor een gat ontstaat. Dit elektron beweegt zich onder invloed van het elektrische veld naar de N-zijde, terwijl het gat naar de P-zijde migreert (excitatie van een elektron van de valentieband naar de geleidingsband). Dankzij de fotonen, die hun energie overdragen aan de elektronen, ontstaat er een beweging van elektrische ladingen en ontstaat er een stroom in een gesloten stroomkring.

1. Wanneer zonlicht op de cel schijnt, bombarderen fotonen (lichtdeeltjes) het bovenoppervlak.
2. De fotonen dragen hun energie naar beneden door de cel.
3. De fotonen geven hun energie af aan elektronen in de onderste P-type laag.
4. De elektronen gebruiken deze energie om over de barrière naar de bovenste N-type laag te springen en naar het circuit te ontsnappen.
5. De elektronen stromen rond het circuit en laten de lamp oplichten.

Het verkregen elektrisch vermogen is evenredig met het vermogen van het invallende licht en is afhankelijk van de efficiëntie van de cel. De cel levert een continue spanning en er loopt stroom doorheen zodra deze is aangesloten op een elektrische belasting, soms een eenvoudige elektrische batterij. De zonnecellen worden vaak gegroepeerd in fotovoltaïsche zonnepanelen, in de vorm van dunne platen, ongeveer tien centimeter lang en breed, afhankelijk van het benodigde vermogen.

De meest voorkomende zonnecellen zijn gemaakt van halfgeleiders op basis van silicium. Maar er worden ook andere halfgeleiders gebruikt zoals koper-indiumselenide of CIS, koper-indium-galliumselenide, ook wel CIGS genoemd, cadmiumtelluride en andere.

Toepassingen

Het fotovoltaïsch effect ligt aan de basis van o.a. fotodiodes en fototransistors. Die vindt men als componenten terug in atoomklokken, in MRI scanners, lasers, led, voor controle van materialen, het lezen van streepjescodes, het veilig sluiten van liftdeuren.

Qua residentieel gebruik worden zonnepanelen vooral geplaatst op de daken voor elektriciteitsvoorziening, bijvoorbeeld voor huishoudelijk gebruik van warmteboilers. In de commerciële sector vindt men ze op grote schaal in zonneparken. Het zijn oplossingen voor de energielevering in ver afgelegen gebieden bv. Afrika. Maar men vindt deze ook in toenemende mate bij ons. Vandaag zijn zonnepanelen ook geïntegreerd in het transportsysteem met de laadstations en in voertuigen, boten en vliegtuigen.

Fotovoltaïsche systemen zijn ‘clean’ en duurzaam, ze zijn overal inzetbaar en vragen weinig onderhoud. Hun nut voor de elektriciteitsproductie is echter afhankelijk van de meteorologische omstandigheden: zonder energieopslagsystemen zijn ze ‘s nachts niet nuttig. Ze hebben de afgelopen jaren aan populariteit gewonnen vanwege hun milieuvriendelijke en duurzame karakter. Door onderzoek zal hun kwaliteit nog verbeteren.

Zo vliegen we in de toekomst?

Hoe zet je de gelijkstroom van bijvoorbeeld zonnepanelen om in de wisselstroom die je thuis nodig hebt? Ontdek hoe een omvormer de stroom razendsnel van richting laat veranderen en zo een wisselspanning opbouwt.

Duiding: Gelijkstroom vs wisselstroom?

Bereken zelf hoeveel zonnepanelen je nodig hebt op basis van je jaarlijkse elektriciteitsverbruik, het vermogen van de panelen en hun verwachte opbrengst. Zo krijg je snel een realistische inschatting van welke installatie bij jouw woning past.

Excursie: Bereken zelf het aantal zonnepanelen dat je nodig hebt

Tegen 700 km/u door de lucht zweven

Droom je ervan met een zweeftrein of maglev trein door een mooi landschap te reizen dan moet je naar Japan of naar China gaan. De Japanse JR Maglev bereikte in de testfase snelheden van 500 km/u en op 21 april 2015 het wereldsnelheidsrecord van 603 km/u.

De Japanners willen voor 2027 Maglev-treinen bouwen die het nog sneller zullen doen, treinen die voor verplaatsingen waar je met die zwevende trein voor een reis van Amsterdam – Parijs vlugger in Parijs zal zijn dan met een vliegtuig. Ook op ecologisch vlak zal dat beter zijn.

Hoe werkt een zweeftrein?

De Japanse Maglev rijdt in een U-vormige stroom geleidende baan in plaats van op een rail. In de verticale zijkanten van de geleidende baan zijn supergeleidende elektromagneten met wisselende polarisatie geplaatst. Deze elektromagneten zorgen ervoor dat de trein in het midden van de baan blijft zweven en met behulp van wisselstroom wordt voortgestuwd.

Real Engeneering: Maglev trein (17 min.)

De spoelen op de wanden van geleidende banen zijn geplaatst in de vorm van een ‘8’ en werken volgens het principe van elektromagnetische inductie. Eigenlijk ontstaat er stroom door het voorbij rijden van de trein. Daarom heeft de trein wielen die worden ingetrokken als de trein een snelheid van 160 km/u bereikt.

Magnetic Levitation Science Project - Quantum LevitationOp de zijwanden van de geleidende baan zijn de levitatiespoelen aangebracht. Wanneer de super-geleidende magneten aan boord van het voertuig met hoge snelheid passeren, wordt er een elektrische stroom in de wikkelingen geïnduceerd, die vervolgens als elektromagneten gaan werken. Deze geïnduceerde stroom veroorzaakt afstoting in de onderste lus van de ‘8’ en aantrekking in de bovenste lus. Dit betekent dat de trein zich altijd precies in het midden van de geleidende baan bevindt.

Over het gehele spoor zijn voortstuwingsspoelen aangebracht. Ze bevinden zich aan beide zijden op de zijwanden en worden aangedreven door wisselstroom (driefasen-wisselstroom), waarvan de frequentie evenredig is met de snelheid van de trein. De supergeleidende magneten aan boord van de trein worden aangetrokken en afgestoten door het verplaatste gedeelte, waardoor het magneetzweefvoertuig wordt voortgestuwd.

Zo worden de polen van elke spoel omgedraaid, waardoor de spoel van de trein, die er net voor reed, wordt afgestoten en de spoel die erna komt, wordt aangetrokken. Alle krachten die op de trein worden uitgeoefend, zorgen ervoor dat deze in dezelfde richting wordt voortbewogen.

Levitatie

JR Maglev-Lev opgelicht door afstoting tussen gelijknamige polen en op rail gehouden door magnetische afstoting.

Stabiliteit

De geleiding voor de magneetzweeftrein: de trein is naar rechts verplaatst – de magneten in de trein veroorzaken een stroom in de spoelen naast de trein (de geleidingsbaan) die de trein naar links naar het midden duwt.

Voortstuwing

Het diagram is vanuit een perspectief boven de trein en laat zien hoe de trein zich voortbeweegt, door aangetrokken te worden door de volgende elektromagneet en afgestoten te worden door de vorige.

Historische achtergrond

Emile Bachelet

Zweeftreinen zijn een revolutionaire vorm van transport die al meer dan een eeuw in ontwikkeling is. Het idee om magneten te gebruiken om treinen te laten zweven, werd voor het eerst voorgesteld in het begin van de 19e eeuw door de Franse ingenieur Emile Bachelet.

Emile Bachelet (1863 – 1946) was een Frans-Amerikaanse uitvinder. Nadat hij therapeutische kwaliteiten van magnetische velden zou ontdekt hebben, met name bij artritispatiënten, begon hij deze praktijk te commercialiseren maar onder-tussen startte hij meer experimenten met magnetische velden.

In 1912 kreeg E. Bachelet een Amerikaans patent voor zijn “Levitating Transmitting Apparatus.” Met dit systeem kon men post en kleine pakketten op een karretje vervoeren dat boven een spoor van elektromagneten bewoog. In 1912 demonstreerde E. Bachelet een model aan de pers in Mount Vernon bij New york en in 1914 aan de Admiraliteit in Londen.

Een aluminium mobiel zweefde één meter boven een lange gidsbaan. De pers gebruikte de woorden “vliegende trein”. Winston Churchill, Britse staatsman en 1ste minister van 1940 tot 1946, die de demonstratie bijwoonde, zei dat het mooiste was dat hij ooit in zijn leven had gezien.

Het duurde echter tot de jaren 1930 voor er serieus onderzoek naar het concept begon.

Meer dan 600 km/uur met de magneetzweeftrein

In 1934 patenteerde de Duitse ingenieur Hermann Kemper (1892 – 1972) het eerste magneetzweeftreinontwerp, waarbij elektromagneten werden gebruikt om de trein boven een geleiderail te laten zweven.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden Duitse ingenieurs de technologie verder, wat resulteerde in de eerste operationele zweeftrein in 1939.

In de jaren 60 begonnen Japanse ingenieurs te werken aan hun eigen maglev-treintechnologie, wat leidde tot de ontwikkeling van het eerste commercieel levensvatbare maglev-treinsysteem. De Japanse maglev-treinen, bekend als de Shinkansen, kunnen snelheden tot 600 km per uur bereiken, wat ze de snelste treinen ter wereld maakt.

Commercieel actieve magneetzweeftreinen (Maglev) rijden momenteel in slechts drie landen: China, Japan en Zuid-Korea. China heeft de meeste operationele magneetzweeftreinen ter wereld. De Shanghai Maglev Train is de bekendste en snelste commerciële zweeftrein ter wereld. De trein verbindt de luchthaven Shanghai Pudong International Airport met het financiële district (Longyang Road). Het traject van 30 kilometer duurt slechts ruim 7 minuten en bereikt snelheden tot wel 431 km/u.
Japan heeft sinds 2005 een volledig automatische, onbemand werkende magneetzweeftrein. Deze Linimo-lijn rijdt in de buurt van Nagoya over een traject van zo’n 9 kilometer en functioneert als een rustige, voorstedelijke metro (top snelheid ca. 100 km/u).

Japan bouwt momenteel aan de Chūō Shinkansen, een ultrasnelle magneetzweeftrein tussen Tokio en Nagoya die snelheden van 500 km/u moet gaan halen.
Zuid-Korea opende in 2016 een onbemande zweeftrein opende in 2016 die de luchthaven van Incheon verbindt met nabijgelegen vrijetijdscomplexen en metrostations (snelheid ca. 110 km/u).

Zweeftreinen kunnen razendsnel, stil en met weinig mechanische slijtage rijden, maar daar staan hoge infrastructuurkosten, technisch complexe systemen en een groot energieverbruik bij topsnelheden tegenover. De technologie is dus veelbelovend, maar botst voorlopig nog op stevige praktische en economische drempels.

Excursie: Voor- en nadelen van zweeftreinen

Atomaire structuur zichtbaar maken

De elektronenmicroscoop steunt op de golfeigenschappen van het elektron (L. de Broglie). Het is een apparaat waar door de diffractie van een elektronenbundel met hoge energie een vergroot beeld kan worden verkregen. Lineaire vergrotingen tot een miljoen keer of meer zijn vandaag mogelijk en met een resolutie beter dan 0,1 nm, zodat zelfs de atomaire structuur van materialen kan worden bekeken.

Theoretische achtergrond

De beste optische microscopen zijn beperkt tot een vergroting van 2.500 keer. De hogere resolutie en vergroting van de elektronenmicroscoop zijn het gevolg van het feit dat de-Broglie-golflengte van een elektron veel kleiner is dan de golflengte van een foton (zie Schrödinger). De resolutie van deze microscopen is afhankelijk van de golflengte van de straling die men gebruikt.
In de elektronenmicroscopen ligt de typische versnelspanning voor de elektronen tussen 100 en 400 kV. Bij 400 kV is dat ongeveer 3,23 picometer (1 pm = 10-3 nm), bij 100 kV 4 pm).

Het principe is vergelijkbaar met dat van de optische microscoop. Daar worden glazen lenzen gebruikt om licht op het voorwerp te convergeren. Om in een elektronenmicroscoop het beeld te vormen stuurt men de elektronenbundel door elektrostatische en elektromagnetische lenzen om deze te laten convergeren op het te observeren voorwerp.

Animatie electronenmicroscoop (Engels, 8:43)

Historische achtergrond

Het eerste prototype van een elektronenmicroscoop werd in 1931 gebouwd door de Duitse ingenieurs Ernst Ruska (1906 – 1988) en Max Knoll (1897 -1 969). Siemens AG produceerde in 1938 de eerste commerciële elektronenmicroscoop. Hoewel moderne elektronen-microscopen objecten tot wel twee miljoen keer kunnen vergroten, zijn ze nog steeds gebaseerd op het Ruska-prototype.

Na de ontdekking van de optische microscoop door o.a. Antoni Van Leeuwenhoek (1632 – 1723), ook de grondlegger van de microbiologie, is de elektronenmicroscoop is een van de belangrijkste ontdekkingen in de geschiedenis van de microscopie.

Praktische achtergrond

VoltageType electronen-microscoopElectron-golflengte (λ)
5 kVSEM0.0172 nm
10 kVSEM0.0122 nm
20 kVSEM0.0086 nm
200 kVTEM/STEM0.0027 nm

Elektronengolflengte van verschillende types van elektronenmicroscopen.

De elektronenmicroscoop is een onmisbaar apparaat in veel laboratoria.

Er bestaan verschillende types zoals transmissie TEM (Transmission Electron Microscope), reflecterende elektronenmicroscopen (Scanning Electron Microscope) en zelfs X-Ray scanning elektronmicroscopen REM, een combinatie van X-stalen beeldvorming en elektronen-microscopie, waar men fenomenen tot op het moleculair niveau kan volgen.

Deze laatste is natuurlijk zeer interessant voor scheikundig onderzoek. Onderzoekers gebruiken ze ook dikwijls om biologische materialen (zoals micro-organismen en cellen), medische biopsiemonsters te bekijken en ook in de studie van metalen en kristalstructuren om o.a. de kenmerken van verschillende oppervlakken te onderzoeken. De elektronenmicroscoop wordt ook veel gebruikt voor inspectie, kwaliteits- en faalanalyse van toepassingen in de industrie , waaronder de productie van halfgeleiders.

De scanning-transmissie-elektronenmicroscoop (STEM) wordt gebruikt om onderscheid te maken tussen moleculen, die slechts door een enkel neutron op een enkel atoom verschillen. De elektronenbundel kan veranderingen in de minuscule moleculaire trillingen van een aminozuur veroorzaakt door het extra neutron opvangen zonder het monster te beschadigen en met een ongekende ruimtelijke resolutie.

Het is nu ook mogelijk om chemische isotopen op subnano metrische schaal te identificeren.

Met deze grote resolutie kan men op isotopisch vlak zaken construeren en de constructie opvolgen.

Cryo-elektronenmicroscopie (cryo-EM) met tomografie is een techniek die gebruikt wordt om driedimensionale (3D) beelden van biomoleculen en cellen te maken, vooral in hun natuurlijke, bevroren toestand. Door een monster onder een elektronenmicroscoop te kantelen en meerdere 2D-beelden te verzamelen, kan een 3D-reconstructie (een tomogram) worden gemaakt. Deze methode biedt een unieke kijk op de structuur en interacties van biomoleculen binnen hun cellulaire omgeving.

3D-structuur van alcoholoxidase uit Pichia pastoris via cryo-elektronenzmicroscopie

Door dikke metalen platen snijden

Een laser is een apparaat dat licht uitzendt via een proces van optische versterking door de uitzending van fotonen te stimuleren. Men spreekt van gestimuleerde emissie van elektromagnetische straling. Het woord ‘laser’ is het acroniem van Light Amplification by Stimulated Emission of Radiation.

Kennismaking

De lasertechnologie staat centraal in het bredere gebied van de fotonica en is een veel gebruikte techniek geworden omdat laserlicht een aantal zeer speciale eigenschappen heeft. Het is monochromatisch en intens. Deze eigenschappen, die laserlicht zeer interessant maken voor veel toepassingen, zijn voor een groot deel het gevolg van de zeer hoge mate van ruimtelijke en/of temporele coherentie van laserstraling.

Richting gebonden emissie is typerend voor lasers. Het licht verschijnt als een goed gerichte straal doordat zijn hoge ruimtelijke coherentie over lange afstanden kan bewaard worden zonder veel divergentie of uitwaaiering, vaak alleen beperkt door diffractie. Bovendien kan worden gefocust op zeer kleine plekken. Het heeft vaak een zeer kleine optische bandbreedte (klein aantal golflengtes/hoge temporele coherentie), terwijl bijvoorbeeld de meeste lampen licht uitzenden met een zeer breed optisch spectrum.

Naast continue uitzending is ook gepulste emissie mogelijk, soms met extreem korte pulsen van microseconden tot enkele femtoseconden (10 -15) en een hoog piekvermogen. De temporele concentratie van pulsenergie – naast het potentieel van sterke ruimtelijke opsluiting in een bundelfocus – maakt het mogelijk om nog veel sterker laserlicht te genereren.

Er zijn meer dan 60 jaar verstreken sinds de eerste demonstratie van een laser in 1960. Na de eerste interesse sprak men over lasers als “een oplossing die wacht op een probleem”. Beetje bij beetje hebben de toepassingen zich uitgebreid tot gebieden, die zo divers zijn als DNA-sequencing, de productie van consumentenelektronica of het bevriezen van de beweging van elektronen rond atomen. De meeste van deze toepassingen zouden simpelweg niet mogelijk zijn geweest zonder lasers.

Om de relevantie van lasers in de natuurkunde te begrijpen, is het voldoende om op te merken dat geen enkele andere door de mens gemaakte bron pulsen kan genereren die zo kort zijn als laserpulsen — nu korter dan 10-16 s –  of die absolute frequenties kan meten met een nauwkeurigheid van de grootte orde van 10-15!

Laser licht, gefilmd (0:25)

Historische achtergrond

Het startte allemaal met de ‘ruby-laser’ die vandaag nog zelden gebruikt wordt. De eerste laser was een gepulste lamp-gepompte robijnlaser (een vastestoflaser), gedemonstreerd door Theodore Maiman(1927-2007) in 1960.

In hetzelfde jaar werden de eerste gaslaser (een helium-neonlaser ) en de eerste laserdiode gemaakt. Vóór dit experimentele werk hadden o.a. Arthur Schawlow (1921 – 1999) en Charles Hard Townes (1915 – 2015, Nobelprijs1964) maar ook Nikolay Basov en Alexander Prokhorov baanbrekend theoretisch werk gepubliceerd over de werkingsprincipes van lasers, en masers (MASER microgolfversterker was in 1953 ontwikkeld door de onderzoeksgroep van Townes (MA SER = microgolfversterking door gestimuleerde versterking van straling). De maser werd later vervangen door de laser).

Werking van de laser

Actieve lasermedium

De voornaamste samenstellende delen van een laser zijn het actieve lasermedium, de externe pompbron, en de resonator.

In een conventionele (incoherente) lichtbron zoals een gloeilamp of een ster zendt elk atoom, dat wordt geëxciteerd naar een aangeslagen toestand, bij terugval naar een lagere energie toestand een foton van bepaalde energie uit. Er ontstaat straling in alle richtingen met verschillende golflengten en zonder onderlinge relaties tussen individuele fotonen.

Dit wordt spontane emissie genoemd (zie Niels Bohrzaal). Albert Einstein voorspelde dat geëxciteerde atomen ook de opgeslagen energie in licht konden omzetten door een proces dat gestimuleerde emissie wordt genoemd.

Dit proces begint doorgaans met een geëxciteerd atoom dat eerst een foton produceert door spontane emissie. Wanneer dit foton een ander geëxciteerd atoom bereikt, stimuleert de interactie met dat atoom de uitstraling een tweede foton. Dit proces heeft twee belangrijke kenmerken.

Het is ten eerste een multiplicatie: één foton worden er twee. Als deze twee fotonen interacteren met twee andere geëxciteerde atomen, levert dit in totaal vier fotonen op, enzovoort.

Ten tweede, en wel het belangrijkste, is dat deze twee fotonen identieke eigenschappen hebben met het eerste d.w.z. golflengte, richting, fase en polarisatie. Deze mogelijkheid om licht te ‘versterken’ tot een groot aantal geëxciteerde atomen leidt tot een ‘optische winst’ die de basis vormt van de laserwerking.

Dit verschijnsel grijpt niet plaats in eender welke stof. Er moet dus eerst een goed actief lasermedium gevonden worden dat met een aangepaste energiebron (externe pomp) wordt geëxciteerd. Men beschikt vandaag over heel wat vaste, vloeibare en gasvormige materialen, die onder geschikte pompomstandigheden het multiplicatie-effect vertonen.

Externe pompbron

In het geval van de laser kan de input- of pomp-energie verschillende vormen aannemen. De twee meest voorkomende zijn optisch en elektrisch. Voor optisch pompen kan de energiebron een gewone lamp of vaker nog een andere laser zijn. Elektrisch pompen kan via een DC-gelijkstroom (zoals in laserdioden), een elektrische ontlading of een excimeer. Een excimeer is een kortlevende moleculaire verbinding die alleen in een aangeslagen toestand bestaat, en in de grondtoestand direct weer uiteenvalt, zoals Ar2* en Xe2*ArF of KrF. De inputenergie kan ook geleverd worden door een radiofrequentie ontlading (in de meeste CO2-lasers) of soms met andere middelen zoals een bundel snelle elektronen of de energie van een chemische reactie.

Resonator

Het basisprincipe van lasers kan goed worden begrepen door te bedenken hoe licht gedurende langere tijd kan worden ‘opgeslagen’.

Ten eerste moeten we licht op een of andere manier ruimtelijk opsluiten, zodat het niet aan het apparaat kan ontsnappen.

Ten tweede moet om het optische vermogen te verhogen – ondanks onvermijdelijke verliezen door verstrooiing op niet-perfecte spiegeloppervlakken – langs de optische as van de resonator het ‘lasermedium’ aangebracht worden. Dat lasermedium kan een kristal, halfgeleider, gas of vloeistof zijn waar licht wordt doorgestuurd.

Vervolgens voegt de externe pompbron door gestimuleerde emissie een foton aan de al bestaande lichtbundel toe.

Afhankelijk van het type laserversterkingsmedium zijn er zeer verschillende mechanismen om die excitatie te produceren en moet in ieder geval ook de energie-input worden voorzien.

Om nu een bruikbare laserstraal te genereren moet één van de resonatorspiegels slechts gedeeltelijk reflecterend zijn zodat een deel van het licht kan ontsnappen. De optische as met de zeer hoge optische versterking zal ook de voortplantingsrichting van de laserstraal zijn.

Naast de lasers die continu werken, zijn er ook die in een gepulseerde modus ‘laseren’, zodat er laserpulsen worden uitgezonden.

Mocht er in eerste instantie geen licht aanwezig zijn, dan kan het lasermedium fluorescentie-licht uitzenden, waarvan een deel van de fotonen de juiste voortplantingsrichting hebben en zo in de resonator worden opgevangen. Zelfs als dat in eerste instantie zwak is, kan het na veel heen en weer toch door gestimuleerde emissie worden versterkt tot een substantieel vermogensniveau.

Eigenschappen van lasers

Hoge monochromaticiteit

Sommige lasers kunnen licht uitzenden met een golflengte-spreiding van minder dan een nanometer, soms zelfs minder dan een femtometer.

Smalle spectrale lijnbreedte

Lasers zijn geoptimaliseerd voor een smalle emissieband-breedte. Wel bestaan er lasers met een  breedbandig spectrum tot wel 100 nm.

Coherentie

Laserlicht is zeer coherent en de golven van de fotonen die worden uitgezonden door een laserlichtbron bevinden zich in fase.

Directionaliteit

Een laser produceert een zeer smalle stralingsbundel.

Grote intensiteit

Laserlicht is geoptimaliseerd voor een hoog uitgangsvermogen. Dat vermogen kan variëren van milliwatts in een laag vermogen-laser tot duizenden watts in een industriële laser van hoog vermogen. Typische middelhoge vermogens liggen tussen de 100 milliwatt en 10 Watt.

Afstembaarheid

Met sommige lasers is het mogelijk om hun emissiegolflengte af te stemmen op een specifiek gebied.

Gebruikte lasers en hun toepassing

Kort overzicht van veel  gebruikte lasers en hun toepassing

Helium-neon lasergaslaserRood -.632,8 nmCWKlein vermogenmeettechniek
Koolstofdioxide-lasergaslaserIR – 10,6 μmCW -gepulstGroot vermogentandheelkunde
Krypton ion-lasergaslaserCWMidden vermogen
Argon ionlasergaslaserCWMidden vermogenoogheelkunde
Eximerlaser
(edelgassen + halogenen)
gaslaser193-351 nmCWoogheelkunde, dermatologie
Chemische lasers
(vb.deuterium fluoridelaser)
vloeistoflaserCWGroot vermogenmilitair
Dye-laser
(vb.rodamine
vloeistoflaser540-640 nm -IRCWMidden vermogenspectroscopie
Nd-YaglasersVaste-stof lasers1.064 μmpulsedMateriaal bewerking
Tattoo
Tandheelkunde
Semiconductor-laserVaste-stof lasers920 nm – 1,35 μmCWMidden vermogenOptische communicatie
barcode lezer
grootlichten auto
CD/DVDlezers

Medische beeldvorming via elektronen

Tomografie verwijst naar een beeldvormende techniek waarbij (dwars)doorsneden van een object of lichaam worden gemaakt.

Positronemissietomografie of PET is een veel gebruikte beeldvormingstechniek die gebruik maakt van radioactieve stoffen, bekend als radiotracers. Een radioactief isotoop (een radionuclide) wordt toegediend aan een patiënt. Deze radionucliden verzamelen zich op bepaalde plaatsen in het lichaam (bijvoorbeeld een tumor). Bij het β+-verval produceren deze atoomkernen een positron en een neutrino. Positronen zijn de antideeltjes van elektronen en hebben dezelfde massa, maar een positieve lading. Een gevormd positron botst na een kort pad op een elektron. Beide worden omgezet in twee gamma-fotonen. Deze worden gedetecteerd in een ring van detectoren.

Voor elke annihilatie zal in tegengestelde zin een ander gamma-foton uitgezonden worden. Na meerdere annihilaties kan de bron ervan gesitueerd worden en op die manier wordt een beeld gevormd van de verdeling van de radionucliden op plaatsen in het lichaam waar ze zich door het metabolisme van het lichaam hebben opgehoopt.

De PET-scan wordt gebruikt om veranderingen in metabolische processen en andere fysiologische processen, waaronder de bloedstroom, de plaatselijke chemische samenstelling en de absorptie te visualiseren en te meten.

PET biedt kwantitatieve analyses, waardoor relatieve veranderingen in de loop van de tijd kunnen worden gevolgd tijdens het verloop van een ziekteproces of als reactie op een specifieke stimulus. Het wordt veel gebruikt bij de beeldvorming van tumoren en de zoektocht naar metastasen binnen het vakgebied oncologie.

Beschrijving

Om de PET-scan uit te voeren, wordt een kortlevende radioactieve tracerisotoop in de levende proefpersoon geïnjecteerd, meestal in de bloedsomloop. Elk traceratoom wordt chemisch opgenomen in een biologisch actief molecuul. Er is een wachttijd totdat het actieve molecuul voldoende is opgenomen in de te onderzoeken weefsels. Vervolgens wordt de proefpersoon in de PET scanner geplaatst.

De radio-isotoop vervalt door emissie van een positron (bètaverval). Het uitgezonden positron legt een korte afstand af in het weefsel. Meestal is dat minder dan 1 mm waarbij het kinetische energie verliest en met een elektron kan annihileren. Hierbij worden twee gammafotonen gevormd die in tegengestelde richtingen bewegen.

Deze fotonen worden gedetecteerd door scintillator-kristallen rond de proefpersoon in het scanapparaat. De scintillators zenden licht uit dat omgezet wordt in een elektrisch signaal. Tijdens een scan vervalt de tracer en wordt de concentratie van het actieve molecule in het onderzochte weefselconcentratie geregistreerd. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende tracers naargelang het doelproces in het lichaam.

Mogelijke tracers zijn:

  • Fluorodeoxyglucose ([18F] FDG of FDG) met een halfwaardetijd van het fluor-18 isotoop van 119 min. Dit wordt vaak gebruikt om kanker op te sporen.
  •  Natriumfluoride (Na18F) wordt veel gebruikt om botvorming te detecteren.
  • Zuurstof-15 (15O) met halfwaardetijd van 2 min wordt soms gebruikt om de bloedstroom te meten.

Radionucliden worden opgenomen in verbindingen met moleculen die in het lichaam worden gebruikt zoals glucose (of glucose-analogen), water of ammoniak. Of ook in moleculen die zich binden aan receptoren of andere werkingsmechanismen van geneesmiddelen.

Sinds 2020 is een suiker, FDG (fluorodeoxyglucose), verreweg de meest gebruikte radio-actieve tracer bij klinische PET-scans. De wachttijd tussen de toediening en de scan bedraagt doorgaans een uur. Deze radiotracer wordt gebruikt bij vrijwel alle scans voor oncologie en de meeste scans in de neurologie.

PET-scanbeelden kunnen worden gereconstrueerd met behulp van een CT-scan die met één gebruikelijke scanner tijdens dezelfde sessie wordt uitgevoerd.

Een van de nadelen van een PET-scanner zijn de hoge initiële kosten en de hoge operationele kosten. PET-scans zijn niet-invasief, maar ze brengen wel een blootstelling aan ioniserende straling met zich mee. Maar de hoeveelheid straling door één scan met FDG tracer is vergelijkbaar met de effectieve dosis van één jaar in een stad zoals Amsterdam (Nl).

Vanwege de korte halfwaardetijd van de meeste positron-emitterende radio-isotopen worden de radiotracers traditioneel geproduceerd met behulp van een cyclotron in de buurt van de PET-beeldvormingsfaciliteiten.

PET SCANNER – IFAE Voxel Imaging PET Pathfinder

Historische achtergrond

Eerste PET scanner

Het concept van PET tomografie werd eind jaren vijftig geïntroduceerd door David E. Kuhl, Luke Chapman en Roy Edwards. David Kuhl werkte in de nucleaire geneeskunde met tomografische beeldtechnieken en ontdekte de PET techniek.

Het werk van Gordon Brownell, Charles Burnham en collega’s in het Massachusetts General Hospital droeg vanaf de jaren vijftig aanzienlijk bij aan de ontwikkeling van PET-technologie en omvatte de eerste demonstratie van annihilatiestraling voor medische beeldvorming. Hun innovaties zijn belangrijk geweest voor de implementatie van PET-beeldvorming.

Ontwikkeling van radiofarmaceutica

In 1968 werd voor de eerste keer de Fluorodeoxyglucose ([18F] FDG als tracer door twee Tsjechische wetenschappers gesynthetiseerd. Met die tracer ontwikkelden James Robertson en zijn collega’s van het Brookhaven National Laboratory in 1961 de eerste single-vlakke PET-scan, bijgenaamd de ‘head-shrinker’.

Een factor die het meest verantwoordelijk was voor de acceptatie van positron-emissie -beeldvorming was de ontwikkeling van radiofarmaceutica zoals FDG. Het was  inderdaad het gebruik van FDG door de Brookhaven-groep onder leiding van Al Wolf en Joanna Fowler dat een belangrijke factor was in de uitbreiding van het gebruik van de  PET-beeldvorming.

De logische uitbreiding van positron-instrumentatie was een ontwerp met detectoren geplaatst op twee halve cirkels, tweedimensionale PC-I-genoemd. Het was het eerste instrument dat dit concept gebruikte. Het werd ontworpen en voltooid in 1969. Een volgende stap in de PET-instrumentatie was het plaatsen van die vele detectoren op een cirkelvormige ring. James Robertson en Zang-Hee Cho waren de eersten die een ring-systeem voorstelden dat ook het prototype is geworden van de PET-vorm.

De PET-CT-scanner, toegeschreven aan David Townsend en Ronald Nutt, werd in 2000 door Time uitgeroepen tot medische uitvinding van het jaar.

Praktische achtergrond

PET is zowel een medisch als een onderzoeksinstrument dat wordt gebruikt in preklinische en klinische situaties

PET wordt ook toegepast bij hart en vaatziekten om de doorbloeding van de hartspier vast te stellen; bij hersenziekten zoals de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson en andere bewegingsstoornissen.

PET-beeldvorming wordt veel gebruikt bij het in beeld brengen van tumoren en het zoeken naar metastasen binnen de klinische oncologie en het in beeld brengen van spieren en botten. Het is een bruikbare techniek voor het bestuderen van skeletspieren tijdens inspanning.

PET wordt gewaardeerd als onderzoeksinstrument om de menselijke hersenen en hartfunctie te bestuderen en de kennis erover te vergroten en om de ontwikkeling van geneesmiddelen te ondersteunen. Ook in preklinische studies met dieren zet men PET in.

100.000 miljard keer sneller rekenen

De vraag naar snellere computers zal blijven bestaan. Met de tijd zijn de afmetingen van de transistoren kleiner en kleiner geworden en zijn onze computers ook sneller en krachtiger. Wel zal er voor elk moeilijk probleem een andere soort chip nodig zijn We zullen de computer voor meer en meer toepassingen gaan gebruiken. Voor sommigen een droom, voor anderen een spookbeeld.

Kwantumcomputers zullen morgen niet direct beschikbaar of te koop zijn. Met de huidige supercomputer zijn ze vandaag ook nog niet nodig omdat heel zware onderzoeken zoals de zoektocht naar betere medicijnen al mogelijk zijn. Een kwantumcomputer is een computer waarvan de processor steunt op de principes van de kwantummechanica. In één keer zal de processor dezelfde berekeningen uitvoeren voor een zeer grote hoeveelheid data. Zulke kwantumcomputer zou dan tot 1014 of 100.000 miljard malen sneller kunnen zijn dan een conventionele computer.

Kennismaking

Superpositie

Een kwantumcomputer maakt gebruik van superpositie, van interferentie en van verstrengeling, die kwantumdeeltjes zoals elektronen of fotonen kunnen vertonen.De huidige computers zijn gebaseerd op bits, de bouwstenen van de kwantumcomputer zijn qubits. Het geheugen van de kwantumcomputer is namelijk opgebouwd uit qubits. Dit zijn deeltjes in superpositie die via een geniaal patroon met elkaar verstrengeld zijn. In superpositie heeft een qubittegelijkertijd de waarden 0 én 1 in plaats van 0 óf 1 zoals voor een bit.

In het geheugen van de computer voert de kwantumprocessor manipulaties uit op de qubits en gebruikt hij input uit hetzelfde geheugen. Wanneer deze processor een waarde ophaalt, dan zijn dat de waarden 0 én 1 en wanneer hij een qubit manipuleert, dan wordt deze bewerking op zowel de waarde 0 als 1 uitgevoerd. Door op een gepaste wijze gebruik te maken van die drie eigenschappen kan een kwantumdeeltje gemanipuleerd worden zonder dat het zijn superpositie verliest. De rekenkracht van de kwantumcomputer vergroot exponentieel met het aantal qubits.

Doolhof

Als voorbeeld nemen we een doolhof . Laat ons veronderstellen dat er tussen ingang en uitgang 1024 slimme mogelijkheden bestaan en men zich de vraag stelt welk daarvan de kortste weg is. Om die vraag te beantwoorden zoals een gebruikelijke computer het zou aanpakken, moet de afstand voor elk van die mogelijkheden namelijk 210 (= 1024) achtereenvolgens gemeten worden. Voor een doolhof met 4056 mogelijk pistes zijn dat dus 212 (= 4056 ) metingen, enz. Hiervoor zijn 12 bits nodig.

Voor de analyse van 8 mogelijkheden heeft het geheugen van een gewone computer 8 of 23 bits nodig. In een kwantumcomputer zijn er slechts 3 qubits nodig. Voor 1.048.576 bits in een klassieke computer heeft men in een kwantumcomputer 20 qubits nodig (220 ).

Door gebruik te maken van kwantumcomputer mag men zich aan  een volledig andere aanpak verwachten. In plaats van de berekeningen in serie uit te voeren, zal dit nu in parallel gebeuren. Als vergelijking gaan we verder met het doolhof en met de vraag welk de kortste weg naar buiten is.

Om de uitgang met een bitcomputer te vinden, denken wij aan de gebruikelijke strategie en dat is stap na stap techniek van go, back en go. Dit is een serie-aanpak. Voor de qubit computer kan men de techniek vergelijken door gebruik te maken van een gekleurd gas dat we aan de ingang van het doolhof doen verdampen en waar het gas door alle mogelijke wegen zal stromen. Dit is een parallel aanpak. Zou men van de eerste gasmoleculen, die de uitgang bereiken, kunnen bepalen welke weg ze volgden, dan krijgen we natuurlijk een veel snellere oplossing van het probleem.

Verstrengelde Qubits

Meer theoretisch bekeken is de golffunctie van een qubit een superpositie van een 0-toestand en een 1 toestand met waarschijnlijkheden a en b om de toestand |0⟩ of de toestand |1⟩ te meten tijdens een meting.

Qubits kunnen verstrengeld raken: de toestand van de ene qubit is dan direct verbonden met die van een andere, ook als ze ver uit elkaar zijn. Hierdoor kunnen kwantumcomputers complexe informatie op een bijzondere manier opslaan en verwerken. De verstrengeling zorgt voor razendsnelle interacties tussen qubits, die klassiek niet mogelijk zijn.

70 Qubit kwantumcomputer

Google’s 70 qubit kwantumcomputer. Een koelsysteem met microgolfkabels koelt de kwantumchip (helemaal onderaan) bijna tot het absolute nulpunt (2023)

Een probleem bij kwantumcomputers is dat verstrengeling zeer gemakkelijk kan verbroken worden. Daarom moet men bij zeer lage temperaturen werken. Een ander probleem is uit de veelheid van resultaten degene halen die men nodig heeft, zonder het systeem te verstoren want dan wordt de verstrengeling verbroken en is men alles kwijt.

Kwantumcomputers gebruiken interferentie (net als bij lichtgolven) om zonder verstoringen bepaalde berekeningen te versterken en andere te onderdrukken. Hierdoor kunnen ze met slimme algoritmes heel snel naar de juiste oplossing zoeken.

Kwantumcomputer lost een doolhof op (1:18, Nederlands). Uit: Kwantumrevolutie

Historisch

Het concept van de kwantumcomputer werd reeds begin jaren 1980 door Paul Benioff, Yuri Manin en Richard Feynman beschreven. Daarna werd het concept door David Deutsch (°1953) en Peter Shor (°1959) verder ontwikkeld. In1994 ontdekte de wiskundige Peter Shor dat kwantumcomputers in theorie gemakkelijk getallen in priemgetallen zouden kunnen ontbinden. Twee grote getallen van pakweg 300 cijfers vermenigvuldigen blijft gemakkelijk, maar met het product de twee originele getallen terugvinden duurt met een klassieke, zelfs supercomputer, enorm lang.

Peter Schor

De wereld van de cryptografie stond op zijn kop en het onderzoek domein kwantumcomputer kreeg een boost. Aanvankelijk waren wetenschapper zeer sceptisch. Theoretisch bleken er wel grote mogelijkheden te bestaan en meerderen startten met onderzoek.

Tegenwoordig wordt er wereldwijd veel geld in dat onderzoek gestoken. In 2016 bedroeg het wereldwijde aandeel voor ‘quantumcompting 89 miljoen dollar. Tegen 2030 verwacht men een stijging tot 10 miljard dollar.

In december 2023 rapporteerden natuurkundigen voor het eerst de verstrengeling van individuele moleculen en men voorspelde dat ook dit belangrijke toepassingen zou kunnen hebben in kwantumcomputers.

Momenteel staan kwantumcomputers nog in hun kinderschoenen. Leidend onderzoek gebeurt in de VSA en in China maar hun capaciteit is nog beperkt tot minder dan 150 qubits. Ze kunnen bijvoorbeeld  algemene rekenproblemen nog niet sneller oplossen dan klassieke computers of commerciële cryptografie breken (zoals RSA).

Ondanks de uitdagingen wordt verwacht dat kwantumcomputers een steeds grotere rol zullen spelen in diverse sectoren in de komende jaren. Experts voorspellen dat rond 2030/2035 kwantumcomputers bruikbaar zullen zijn voor praktische toepassingen.

In wezen zijn kwantumcomputers niet bedoeld om klassieke computers volledig te vervangen, maar eerder om ze aan te vullen door specifieke soorten rekenproblemen aan te pakken die door het enorme aantal data hardnekkig zijn voor klassieke machines.

Geheimen beschermen

Cryptografie (uit Oudgrieks, κρυπτός (kruptós) verborgen, en γράφειν (gráphein) schrijven) wordt gebruikt om gegevens over te dragen die niet leesbaar mogen zijn voor andere partijen. Alleen de ontvanger – en eventueel ook de zender – beschikt over de juiste sleutel om de te ontcijferen gegevens in hun originele vorm te herstellen.

Encryptie is het versleutelen of vercijferen van de boodschap. Decryptie  s het ontsleutelen. Het onderzoeken van gebruikte algoritmes is cryptoanalyse.

Historiek

Hoe kan je informatie zo coderen of versleutelen dat niemand ze kan ontcijferen tenzij hij  over de ontsluitingscode beschikt?

Deze vraag houdt generaals, bankiers, diplomaten en – niet vergeten – geheime lovers al eeuwen bezig. Julius Caesar( 1ste eeuw v.C.) schreef brieven naar zijn generaals waarbij elke letter vervangen werd door een letter die een vast aantal plaatsen verder in het alfabet lag.

Zo’n geheime boodschap kan maar best niet door tegenpartij ontcijferd worden. Natuurlijk gebeurde dat toch. Soms met verregaande gevolgen.

Mary, Queen of Scots

Een berucht historisch voorbeeld uit de 16de eeuw is de geheime briefwisseling van Mary Stuart (Mary, Queen of Scots). De ontcijfering ervan speelde een sleutelrol in haar veroordeling en executie in 1587. Mary Stuart was koningin van Schotland en had ook een sterke claim op de Engelse troon. Ze werd door haar nicht, Elizabeth I van Engeland, in 1568 gevangen gezet uit vrees voor samenzwering en burgeroorlog.

Mary werd jarenlang streng bewaakt, maar via een geheime route (bierkurken in vaten!) wist ze versleutelde brieven te smokkelen naar de samenzweerders. De brieven werden ontdekt en ontcijferd. De ontcijferde briefwisseling werd gebruikt als bewijs voor hoogverraad. Mary werd berecht, schuldig bevonden en op 8 februari 1587 geëxecuteerd.

De Enigma machine

De Enigma-machine was een codeerapparaat dat door het Duitse leger werd gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog. De basis ervan is dat elke letter, die je intikt, langs een veelheid van miljoenen mogelijke tussenwegen in een andere letter wordt omgezet. Een ingenieus systeem met o.a. roterende wielen zorgde ervoor dat een A intikken de ene keer bijvoorbeeld een Z opleverde, een andere keer bijvoorbeeld een G. Met deze machine konden operators berichten op zo’n manier coderen dat de ontvanger de specifieke instellingen moest kennen om het bericht te decoderen.

Als je die niet kende zou je miljoenen wegen moeten verkennen om het bericht te ontcijferen. Een onmogelijk lijkende opgave om dat, in de korte tijd dat de informatie relevant bleef, te doen.

In Bletchley Park, een landgoed in Zuid Engeland, werkte een ploeg van duizenden medewerkers vanaf 1939 aan de ontcijfering van de Enigma-code. Het werk in Bletchley Park werd geleid door Alan Turing. Er komt pas echt een doorbraak in het breken van de code als Tommy Flowers de eerste programmeerbare elektrische computer ontwikkelt. Deze machine krijgt de naam The Bombe. Een verbeterde versie hiervan is net op tijd klaar voor de geallieerde invasie in Normandië in juni 1944 en voorziet de commandant der geallieerde strijdkrachten Dwight Eisenhower van essentiële informatie over het Duitse strijdplan.

Het werk in Bletchley Park verkortte de oorlog met meerdere jaren en redde tal van mensenlevens.

Hoe Enigma werkt

Moderne cryptografie

De ontcijfering van Enigma onder de leiding van Alan Turing was de start van de moderne cryptografie. Er ontstond een nieuw onderzoeksgebied dat in 1949 een enorme impuls kreeg door het  boek van Claude Shannon dat de wiskundige basis van de cryptografie formuleerde.

Cryptografie steunt vandaag op moeilijke wiskundige problemen die eenvoudig zijn om in één richting te berekenen, maar extreem moeilijk om om te keren zonder een geheime sleutel.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen symmetrische en asymmetrische cryptografie

Claude Shannon, 1916 -2001

Symmetrisch vs asymmetrisch

In symmetrische cryptografie is eréénzelfde sleutel voor versleutelen en ontsleutelen. Symmetrische cryptografie is heel snel en wordt daarom vooral gebruikt voor grote hoeveelheden data zoals voor een virtueel privé netwerk (VPN), en voor de beveiliging tussen een server en een website.

In asymmetrische cryptografie gebruikt men twee sleutels: een publieke en een private sleutel. Iedereen kan een bericht versleutelen maar alleen de eigenaar van de private sleutel kan het ontsleutelen. Het is echter trager dan symmetrische cryptografie en wordt meestal gebruikt voor uitwisseling van sleutels en voor digitale handtekeningen.

In de praktijk combineert men vaak beide: eerst gebruikt men asymmetrische cryptografie om veilig een symmetrische sleutel uit te wisselen. Daarna gebruikt men symmetrische cryptografie om de daadwerkelijke data te versleutelen, want dat is veel sneller.

De veiligheid moet alleen afhangen van de sleutel, niet van het geheimhouden van het algoritme. De kracht komt volledig van de moeilijkheidsgraad van het breken of ontcijferen van de sleutel.

RSA algoritme

Een bekend voorbeeld van asymmetrische cryptografie is het RSA algoritme. Het is genoemd naar de voornamen van de drie ontwikkelaars uit 1977 en is gebaseerd op het product van grote priemgetallen. Dat getal wordt het sleutelgetal genoemd.

Priemgetallen zijn natuurlijke getallen die groter zijn dan 1 en enkel deelbaar door zichzelf en door 1. Er zijn er oneindig veel van. (Stelling van Euclides).

Het vermenigvuldigen van priemgetallen is gemakkelijk, maar terugkeren van een sleutelgetal van honderden cijfers naar de oorspronkelijke priemgetallen is extreem moeilijk. Men kan wiskundig aantonen dat er bij benadering  1099 priemgetallen met 100 decimale cijfers zijn.

Gewoon door proberen gaan de priemgetallen van het sleutelgetal dus zeker niet gevonden worden. Maar er zijn wel slimme wiskundige methoden ontdekt om het toch heel wat vlugger te laten gaan. Maar toch nooit vlug genoeg. Voor een kwaliteitsvolle recente laptop met een CPU van 16 rekeneenheden – die dus 16 rekentaken tegelijk kan uitvoeren- zou het factoriseren of in priemgetallen ontbinden van een sleutelgetal met 250 decimale cijfers ongeveer 150 jaar duren.

Dit betekent echter niet dat factoriseren in kortere tijd onmogelijk is. Het grootste RSA-getal dat tot nu toe succesvol is gefactoriseerd is RSA-250 . Een getal met 250 decimale cijfers.

Het werd gekraakt tussen december 2019 en februari 2020 door een internationaal team. De berekening werd verspreid uitgevoerd over tientallen duizenden machines wereldwijd, zowel clusters van computers als supercomputers.

Het daadwerkelijke getal was:

2140324650240744961264423072839333563008614715144755017797754920881418023447140136643345519095804679610992851872470914587687396261921557363047454770520805119056493106687691590019759405693457452230589325976697471681738069364894699871578494975937497937

dat gelijk is aan het product van de priemgetallen

64135289477071580278790190170577389084825014742943447208116859632024532344630238623598752668347708737661925585694639798853367

en

33372027594978156556226010605355114227940760344767554666784520987023841729210037080257448673296881877565718986258036932062711

Het kraken van RSA-sleutels is uiterst rekenintensief. Maar onmogelijk is het dus niet.

Tegenwoordig is RSA-250 niet meer veilig genoeg. Het werd immers gekraakt.

Men gebruikt daarom nu sleutelgetallen van 925 cijfers of 3072 bits of meer. Het sleutelgetal van RSA-250 heeft 832 bits nodig om digitaal voorgesteld te worden.

Een bit is de kleinste digitale eenheid die enkel de toestand 0 of 1 kan aannemen.

In binaire vorm wordt een getal van 250 voorgesteld in groepjes van acht bits of bytes (1 byte = 8 bits):

10010110 01101001 10100111 … (104 bytes lang)

Hoe werkt RSA?

Je kiest twee grote (>> 125 cijfers) priemgetallen. Je past op hun product – het sleutelgetal -wiskundige operaties toe om een publieke en een private sleutel te maken. Het sleutelgetal en de publieke sleutel zijn openbaar. Alleen de private sleutel is geheim. Per sleutelgetal is maar één set sleutels mogelijk. Maar je kan deze set niet uit het sleutelgetal of uit de publieke sleutel afleiden. Je hebt de gekozen priemgetallen of één van beide én het sleutelgetal zelf nodig.

RSA is een voorbeeldbeeld van asymmetrische cryptografie. De sleutel waarmee je het bericht versleuteld kan met deze sleutel niet terug ontcijferd worden. Daarvoor heb je een tweede sleutel nodig.

Advanced Encryption Standard

Een bekend voorbeeld van symmetrische cryptografie is de Advanced Encryption Standard (AES). AES werd ontwikkeld door twee Belgische burgerlijke ingenieurs Joan Daemen en Vincent Rijmen. Ze wonnen in 2000 de wereldwijde wedstrijd van het Amerikaans Nationaal Instituut voor Standaardisatie en Technologie om tot een veiliger versleutelingsstandaard te komen. Ze haalden het van grote spelers zoals IBM en RSA Security.

Hun algoritme werd gekozen vanwege de combinatie van veiligheid, prestatie, efficiëntie, eenvoud en flexibiliteit. Hun algoritme wordt ook wel het Rijmdael algoritme genoemd.

Het AES-encryptiealgoritme steunt op een ingewikkeld wiskundig concept. Het principe is als volgt.

AES neemt een blokje platte tekst en past afwisselende rondes van vervanging (substitutie) en herschikking (permutatie) toe in elke ronde. De grootte van de blokjes tekst is altijd 128 bits. De sleutellengte is 128, 192 of 256 bits en bepaalt het aantal ronden (10, 12 of 14 ) dat de data worden gewisseld. De standaardsterkte voor encryptie is 128, terwijl 256 gereserveerd is voor wanneer de sterkste beschermingsniveaus vereist zijn.

AES genereert at random een basissleutel van 128 bits (voor AES 128) en maakt daaruit via een vast, ingewikkeld maar volledig deterministisch proces alle tien sleutels voor de afzonderlijke encryptierondes. De ontvanger die dezelfde geheime basissleutel heeft, kan precies dezelfde sleuteluitbreiding uitvoeren en daardoor dezelfde 11 rondesleutels reconstrueren. Zonder deze ontcijferingssleutel zijn de gegevens volledig onleesbaar en totaal vervormd, wat betekent dat ze nutteloos zijn voor derden die het verkeer onderscheppen in de hoop op gegevens te stuiten die ze kunnen stelen.

Toekomst

Klassieke computers gebruiken algoritmen zoals AES en RSA en zijn veilig zolang de sleutel groot genoeg is.

Voor kwantumcomputers is de situatie helemaal anders. Zij kunnen gelijktijdig een zeer groot aantal berekeningen uitvoeren. Dat komt omdat de informatie-eenheden van kwantumcomputers geen  bits maar qubits zijn. Een bit kan in de situatie 0 of 1 zijn; een qubit is beide tegelijkertijd. Hij is in superpositie. Twee bits bijvoorbeeld zijn in één van de vier mogelijke toestanden 00, 01, 10, 11. Twee qubits zijn in de vier toestanden tegelijkertijd 0 en 1. Ze kunnen tegelijkertijd 2² = 4 berekeningen uitvoeren.

Sleutelgetal breken van qubits?

Voorspellingen over hoeveel qubits er nodig zijn om bijvoorbeeld RSA-2048 in enkele dagen of weken te breken lopen uiteen van enkele honderduizenden tot 1 miljoen fysieke qubits.

Dat aantal is zo groot omdat fysieke of ‘noisy qubits’ erg foutgevoelig zijn en je er daarom voor foutcorrectie heel wat meer nodig hebt dan het aantal logische qubits.

Kwantumcomputers kunnen RSA  breken met een algoritme dat door Peter Shor in 1994 werd ontwikkeld. Met een recente bijsturing van dit algoritme zouden 1 400 tot 1 700 logische qubits en 1 miljoen fysieke qubits voldoende zijn om RSA-2048 binnen de week te kraken.

De krachtigste kwantumprocessors van vandaag (zoals IBM’s Condor met 1.121 fysieke qubits) zitten nog ver onder deze grens. Dus hoewel het theoretisch mogelijk is, zijn we wellicht nog jaren verwijderd van een praktische kwantumdreiging voor RSA 2048. AES blijft veiliger, maar men moet grotere sleutels gebruiken dan nu het geval is.

Post-kwantumcryptografie

Post-kwantumcryptografie (PQC) omvat versleutelingsmethoden die bestand zijn tegen aanvallen van krachtige kwantumcomputers. PQC steunt op wiskundige problemen die zelfs voor kwantumcomputers moeilijk op te lossen zijn.

De EU heeft een routekaart opgesteld om tegen eind 2026 te beginnen met de overgang naar PQC, en tegen 2030 moet de bescherming van kritieke infrastructuur volledig zijn overgeschakeld. Het Amerikaanse NIST (National Institute of Standards and Technology) heeft na jaren van evaluatie al enkele algoritmen geselecteerd voor standaardisatie.

Daar waar postkwantumcryptografie gebruik maakt van zeer geavanceerde wiskunde om ook tegen kwantumcomputers veilig te blijven, maakt kwantumcryptografie gebruik van de wetten van de kwantummechanica zelf om communicatie te beveiligen.

Het bekendste voorbeeld van kwantumcryptografie is kwantumsleuteldistributie (QKD).

Eén van de principes ervan is dat een kwantumsysteem niet kan gekopieerd worden. Kopiëren vereist observatie die de toestand van het systeem onherstelbaar verandert (Cf. Collaps van de golffunctie). Als iemand toch probeert mee te luisteren, veranderen de fotonen, en dat valt op bij de verzenders van het bericht.

Hoewel ze zich nog in een vroeg stadium bevindt, heeft kwantumcryptografie het potentieel om een revolutie teweeg te brengen in cryptografie en de groeiende dreiging van kwantumcomputing aan te pakken.

In een notendop werkt QKD als volgt:

  • De ontvanger kan de boodschap nog lezen.
  • Alice en Bob genereren  een geheime sleutel via het kwantumkanaal.
  • De boodschap zelf wordt daarna klassiek gecodeerd (bijv. met AES) met die sleutel.
  • Als Eve probeert af te luisteren maakt ze de sleutel fout, maar de echte boodschap blijft veilig zolang Alice en Bob de afluisterpoging hebben ontdekt en de sleutel controleren.
  • De ontvanger kan de boodschap nog lezen.

Kwantumhuis

Het Kwantumhuis is een project op basis van onderzoek en redactiewerk van Henri Eisendrath en Gaston Moens.
Eindredactie & films Fonk vzw.

Tot stand gekomen dankzij de onontbeerlijke steun van Fonds Kristel Van Ouytsel, onze hoofdsponsor.

In samenwerking met…

© 2026 – Alle rechten voorbehouden. Vrij gebruik voor educatieve doeleinden in klasverband.