Albert Einstein is één van de grootste wetenschappelijke genieën aller tijden. Iedereen kent hem van de speciale en de algemene relativiteitstheorie. De voorspellingen van deze theorieën zijn nog altijd de bron voor nieuw onderzoek. Maar minder bekend is dat hij één van de belangrijkste grondleggers van de kwantumfysica geweest is.
Hij was de eerste die de fysische realiteit van het kwantum herkende en een kwantumverklaring vond voor het foto-elektrisch effect en voor de warmtecapaciteit van vaste stoffen, waarmee hij één van de grondleggers werd van de vastestoffysica. Hij was de eerste die een sluitende theorie bedacht om de intensiteit van spectraallijnen te verklaren.
Eminente collega’s, alhoewel zij ouder waren dan hij, consulteerden A. Einstein en stelden zijn mening op prijs. Hij was iemand met een intuïtief gevoel voor de wijze waarop de natuur in elkaar zit. Zijn lievelingsfilosoof was Benedictus de Spinoza (1632 – 1669), die God met de Natuur gelijkstelde.
Vanaf het einde van de jaren 1920 werd hij echter ook een van haar voornaamste critici. Hij verzette zich in het bijzonder tegen de onvoorspelbaarheid en onzekerheid van de nieuwe kwantummechanica van fysici zoals Werner Heisenberg en Niels Bohr. Of tegen de opvatting dat objecten pas eigenschappen krijgen wal we ze waarnemen. “God dobbelt niet” is misschien wel zijn meest bekende uitspraak.
Hij is niet meer mee. Hij wordt door de nieuwe generatie niet ernstig meer genomen. Maar hij geeft niet op. Vanaf het eind van 1920’ s tot zijn dood in 1955 verzint hij tal van briljante gedachtenexperimenten die zouden aantonen dat deze onvoorspelbaarheden zouden kunnen weggewerkt worden door een meer omvattende theorie. Dit blijkt tot hiertoe niet het geval.
Maar deze gedachtenexperimenten resulteerden in reële experimenten die wel degelijk zijn ongelijk aantoonden. Maar zij leidden ook tot nieuwe ontdekkingen zoals kwantumcomputers. De raadsels van de kwantumwereld blijven echter bestaan en geven regelmatig aanleiding tot nieuwe interpretaties.
Kijk je of kijk je niet (Bear Looking Sideways meme)
De sleutelrol van de waarneming
Sedert de 17de eeuw staat de rol van experiment of waarneming in de natuurwetenschappen centraal. De waarneming beslist of iets het geval is of niet. Beweringen die niet door waarneming kunnen getoetst worden, behoren niet tot de natuurwetenschappen.
Maar wat is een waarneming eigenlijk? Wat is de bedoeling van een experiment? In de klassieke natuurkunde zijn ze bedoeld om een vaak voor het ‘blote oog’ verborgen eigenschap of kenmerk van een fysisch verschijnsel of object te achterhalen. De kenmerken of eigenschappen zijn er al. De wetenschapper ontdekt door het experiment de natuur zoals ze, los van hem of haar, is. Deze vanzelfsprekend lijkende visie wordt in de kwantumfysica helemaal onderuitgehaald.
De kwantumwereld “begrijpen”
Kwantumwereld ≠ intuitief
We kunnen de kwantumwereld niet begrijpen zoals we de wereld van de klassieke natuurkunde of de wereld van alledag begrijpen. In de kwantumwereld gebeuren dingen die tegen onze intuïtie indruisen. Zoals een kwantumsysteem dat tegelijk twee tegengestelde eigenschappen kan hebben. Of dat veranderingen in één kwantumsysteem tegelijkertijd een verandering in een ander kwantumsysteem kan veroorzaken, hoe ver die twee ook van elkaar verwijderd zijn. Of dat de wereld die we waarnemen niet onafhankelijk is van onze waarneming ervan.
Wat we waarnemenis niet de natuur zelf, maar de natuur zoals ze tevoorschijn komt door onze methode van ondervraging.”
Werner Heisenberg
De kwantumwereld IS vreemd
Dit heeft bijvoorbeeld als gevolg dat de vraag of een elektron nu een golf of een deeltje is, onbeantwoordbaar blijft door de wetenschap. Vooraleer we een waarneming, een experiment of een meting doen, is een elektron zowel het een als het ander. De waarneming, het experiment, bepaalt welke eigenschap we het elektron moeten toekennen. In het ene geval zal dat een deeltjeseigenschap zijn, in het andere geval een golfeigenschap. De waarneming dwingt de natuur als het ware om een keuze te maken! Maar dat is toch totaal van de pot gerukt. Ongelooflijk? Ja, maar toch waar! Geen enkele van de tot hiertoe uitgevoerde experimenten spreekt dit tegen. De kwantumwereld begrijpen is precies zich van die vreemdheid bewust zijn. Aldus Niels Bohr.
Hoe gaat dat dan precies? Wat gebeurt er dan door de waarneming? Niels Bohr (1885 – 1962) en zijn onderzoeksgroep in Kopenhagen ontwikkelden rond 1927 een antwoord dat later de Kopenhagen-interpretatie zal worden genoemd. Werner Heisenberg stelde ze voor het eerst voor op de Solvayraad van 1927. Ze werd hevig gecontesteerd door o.a. Albert Einstein (1879 – 1955) en Erwin Schrödinger (1887 – 1961). Die ‘oude garde’ zal nochtans het onderspit delven. Maar tot op vandaag, bijna 100 jaar later, is er tussen theoretische fysici en filosofen toch nog altijd heftige discussie over antwoorden op de vragen van 1927.
We gaan het verhaal van het ‘probleem van de waarneming’ – dat de gemoederen nog altijd beroert – in hoofdlijnen vertellen en tegelijkertijd tonen hoe vreemd de kwantumwereld nu wel is. Niemand minder dan N. Bohr schreef: “Degenen die niet geschokt zijn wanneer ze voor het eerst in aanraking komen met de kwantumtheorie, kunnen ze onmogelijk hebben begrepen.”
Quantum Observer effect (3m23, Engels)
In 1927 botsten Einstein en Schrödinger frontaal met Bohr, Heisenberg en Born over de vraag of toeval, onzekerheid en de rol van de waarnemer écht fundamenteel zijn in de natuur. Op de beroemde Solvayraad in Brussel groeide dat debat uit tot de triomf van de Kopenhagen-interpretatie, al bleef Einstein zich er hardnekkig tegen verzetten.
Hoe verder we de kwantumwereld binnendringen, hoe vreemder ze wordt. De kwantummechanica kan met verbluffende nauwkeurigheid voorspellen wat we bij een experiment zullen waarnemen, maar ze vertelt ons veel minder duidelijk wat er ondertussen werkelijk gebeurt. Vooral op het ogenblik dat we meten, lijkt er iets merkwaardigs plaats te vinden: uit een waaier van mogelijke uitkomsten verschijnt plots één concrete werkelijkheid.
Waarom precies die ene? Wat verandert er tijdens een meting? En speelt de waarnemer daar zelf een rol in? Hier stoten we op een van de grootste raadsels van de moderne fysica: het meetprobleem. Een vraagstuk dat al bijna een eeuw lang fysici en filosofen bezighoudt — en dat ons confronteert met de misschien wel meest mysterieuze kant van de kwantumwereld.
Het meetprobleem
We weten dat Ψ (psi) een wiskundige functie is die alle meetbare informatie bevat over een kwantumdeeltje zoals een foton of een elektron. We weten ook dat met Ψ in de werkelijkheid niets overeenkomt maar dat we er wel de waarschijnlijkheid van toekomstige gebeurtenissen in een dynamisch (d.i. evoluerend) systeem mee kunnen berekenen.
“Kwantumstoplicht” vs gewoon stoplicht
Zonder Ψ kunnen we de kwantumwereld niet binnen. Ze is dus een sleutel tot die wereld. Maar er blijft wel een deur dicht. Namelijk deur waarachter zich het antwoord bevindt op de vraag wat er gebeurt als we een waarneming doen. Voor de waarneming heeft het kwantumsysteem tegelijkertijd alle eigenschappen die in de golffunctie zitten. Een kwantum stoplicht heeft maar één lamp die tegelijkertijd op rood, oranje en groen staat. Het bevindt zich in een superpositie van deze drie kleuren. We kunnen ons dat natuurlijk niet voorstellen.
Als we een waarneming doen, als we van de kwantumwereld naar de ‘gewone’ wereld overgaan wordt onmiddellijkéén van die drie mogelijkheden waargenomen. We zien een rood, een oranje of een groen licht. Een gewoon stoplicht heeft hiervoor drie lampen nodig.
Hoe gebeurt dat dan precies? Hoe de waarneming de golffunctie verandert, kan de huidige kwantummechanica niet uitleggen of verklaren: de golffunctie zou moeten blijven wat ze is. Wat gebeurt volgt dus niet uit de kwantummechanica. Dat is een groot probleem. Het staat bekend als het ‘meetprobleem’ (measurement problem).
Hoe kan dat nu? Ontbreekt er iets aan de kwantummechanica die dat wel kan uitleggen? Dat is wat fysici zoals A. Einstein, E. Schrödinger en L. de Broglie dachten.
Verschillende oplossingen werden voorgesteld. Werner Heisenberg (1901 – 1976) bedacht een extra, niet door de kwantummechanica ondersteund verschijnsel: de ineenstorting of collaps van de golffunctie op het ogenblik van de waarneming of meting.
De golffunctie verdwijnt bij en door de waarneming of meting.
In het eerste wiskundig uitgewerkte leerboek over kwantummechanica Mathematical Foundations of Quantum Mechanics (1932) formaliseerde John von Neumann (1903 – 1957) dit idee.
De collaps-idee wordt nog altijd algemeen aanvaard. Maar de problemen blijven natuurlijk bestaan. De collaps is immers geen voorspelling van de kwantummechanica. Het lijkt wel een trucje dat erbij geplakt is.
Rol van de waarnemer
De meting speelt in de kwantumwereld een cruciale rol. Ze realiseert één van de mogelijkheden. Sommige interpretaties lijken te suggereren dat de persoon die de waarneming doet, de waarnemer zelf dus, de collaps veroorzaakt. Maar wat is een waarnemer precies? Is het een mens? Een apparaat? Moet er bewustzijn bij komen kijken?
Het zijn net deze vragen over de collaps en het meetprobleem, diehet kernprobleem van de kwantummechanica vormen. Na bijna 100 jaar bezorgt het sommige fysici en filosofen nog altijd slapeloze nachten. Er werden andere verklaringen bedacht voor wat er bij een meting gebeurt, maar die zijn wellicht nog vreemder dan de collapstheorie zelf. We komen hier later op terug.
Om dit voor de kwantummechanica zeer belangrijke begrip van collaps te verduidelijken gaan we het twee-spleten experiment proberen uit te leggen. Een experiment dat het kernprobleem van de kwantummechanica duidelijk toont. Richard Feynman, Nobelprijs-winnaar in 1965 voor zijn werk over kwantumfysica, schrijft hierover in zijn cursus over kwantummechanica van 1965:
De kwantummechanische versie van het dubbele spleet experiment is een fenomeen waarvan het onmogelijk is, absoluut onmogelijk, om het op een klassieke manier te verklaren, en dat het hart van de kwantummechanica in zich heeft. In werkelijkheid bevat ze het enige mysterie. We zullen het mysterie niet laten verdwijnen door uit te leggen hoe het werkt. We zullen gewoon vertellen hoe het werkt. Door te vertellen hoe het werkt, hebben we je tegelijk verteld over de fundamentele eigenaardigheden van de kwantummechanica
Dit experiment zijn we in andere taferelen al verschillende keren tegengekomen als we het golfkarakter wilden aantonen. We geven nu een vereenvoudigde beschrijving van dit experiment om het mysterieuze karakter van de kwantumwereld te illustreren en toch een samenhangende beschrijving van de verbazingwekkende resultaten ervan te kunnen geven.
Het experiment is verschillende keren echt uitgevoerd. Voor het eerst in 1961 beschreven door de Duitser Claus Jönnson, maar het duidelijkste resultaat werd in 1989 bekomen door de de Japanse fysicus Akira Tonomura (1942-2012) in 1989. We geven er een sterk vereenvoudigde beschrijving van.
Deel 1 – Interferentie met zichzelf
Beschrijving experiment
Een elektronenbron stuurt elektronen één na één op een scherm met twee nauwe spleten. De elektronen komen één voor één terecht op een tweede scherm waarop ze een spoor achterlaten. Eerst lijken de elektronen willekeurig op dit scherm terecht te komen. Maar na korte tijd zien we een duidelijk interferentiepatroon. Het is alsof het elektron door beide spleten tegelijk gaat, het met zichzelf interfereert en terug een deeltje wordt als het op het tweede scherm terechtkomt.
Hoezo?
Hoezo door beide spleten tegelijk gaan en met zichzelf interfereren? Het lijkt onmogelijk maar kan jij een andere interpretatie bedenken?
Elektronen gaan doorheen een scherm met twee spleten. Op een tweede scherm laat elk elektron een spoor na. Met beide spleten open ontstaat er op dit scherm heel geleidelijk een interferentiepatroon. N is het aantal elektronen.
Verklaring?
Hoe verklaren we dat? Niels Bohr, Werner Heisenberg en de groep in Kopenhagen doen dit als volgt:
1. Elk elektron wordt beschreven door een golffunctie Ψ die alle meetbare informatie over dat elektron bevat.
2. Vooraleer een elektron het eerste scherm passeert, is de golffunctie ervan de som van alle mogelijkheden: passeren door spleet 1 (Ψ1), door spleet 2 (Ψ2), teruggekaatst worden (Ψ3), enz. Wiskundig betekent dit dat Ψ een lineaire combinatie of superpositie is van Ψ1, Ψ2 , Ψ3 , … Na doorgang door het scherm zijn alleen Ψ1 en Ψ2 van belang. (deeltje is immers niet teruggekaatst).
3. De golffunctie van het elektron is dan na doorgang door de spleet Ψ1,2 = a(Ψ1) + b(Ψ2), waarbij a en b verband houden met de waarschijnlijkheid voor het passeren door spleet 1, resp. spleet 2. Vereenvoudigd:
De kans om het elektron ergens na het eerste scherm aan te treffen is dan (cf. Max Born):
Het elektron interfereert met zichzelf. P1P2 is de interferentieterm
Als het elektron zich als een klassiek deeltje zoals een kogeltje zou gedragen is:
Door botsing op het tweede scherm wordt het elektron op het scherm waargenomen (het laat een spoor na). De oorspronkelijke golffunctie verdwijnt en het elektron komt in een heel nieuwe situatie. Dit verdwijnen van de golffunctie is de collaps van de golffunctie Ψ
Kogeltjes gaan door een scherm met twee spleten, (boven). Elektronen gaan door een scherm met twee spleten. Er ontstaat een interferentiepatroon (onder).
Deel 2 – Als je kijkt, zie je niks
Eén elektron dat tegelijk door twee verschillende spleten gaat en dat interfereert met zichzelf. Wat is dat voor onzin? Stel je voor dat zoiets met kogeltjes zou gebeuren. Dat dachten vele fysici in het begin. Enkelen probeerden experimenteel aan te tonen dat het elektron echt wel door één van de beide spleten gaat. En niet door twee tegelijk. Ze kwamen van een kale kermis thuis!
Don’t look now! (6m32, Engels)
Elektronen verliezen hun golfkarakter
De werkwijze was simpel. De uitvoering een huzarenstuk. Ze plaatsten een detector na het eerste scherm. De detector zou een signaal geven bij doorgang van het elektron door één van beide spleten. En dat gebeurde ook. Maar er gebeurde iets totaal onverwacht op het tweede scherm.
De elektronen verliezen hun golfkarakter. Het interferentiepatroon verdwijnt. De elektronen gedragen zich als ‘gewone’ deeltjes:
De golffunctie van het elektron is door de waarneming aan de spleet verdwenen. Er is geen superpositie meer. Ze is in elkaar gestort.
Wat is er gebeurd? Door informatie te verzamelen over de weg die het elektron volgt, neemt het een deeltjeskarakter aan. Kort gezegd: als we kijken verandert het elektron zijn gedrag. Niet kijken is de boodschap!
Een detector na het eerste scherm geeft een signaal dat aangeeft door welk van beide spleten het is gepasseerd. In (b) zie je de aantrefkans als gedetecteerd wordt door welke spleet het elektron gepasseerd is. In (c) zie je de relatieve aantrefkans met telkens één van beide spleten dicht.
Wat als je pas nádat een deeltje door een dubbele spleet is gegaan beslist of je zijn pad wilt meten? Wheelers delayed-choice-experiment suggereert dat die latere meetkeuze mee bepaalt of het deeltje golf- of deeltjesgedrag vertoont — alsof het heden iets zegt over wat er eerder “gebeurde”.
Bij het uitgestelde-keuze wisexperiment kan interferentie terugkeren wanneer informatie over het gevolgde pad later wordt gewist. Anders dan bij het gewone delayed-choice-experiment draait het hier dus vooral om welke-weg-informatie wissen, niet enkel om later kiezen wat je meet.
De Kopenhagen-interpretatie is een manier om de wiskundige formules van de kwantummechanica te begrijpen en te interpreteren. Ze ontstond rond 1927 in de kring van Niels Bohr en zijn collega’s in Kopenhagen. De kernvraag die ze probeert te beantwoorden is:
“Wat betekent het dat een deeltje wordt beschreven door een golffunctie, en hoe moeten we dat fysisch en filosofisch begrijpen?”
Ze waren er rotsvast van overtuigd dat ‘hun’ kwantummechanica ‘een volledige theorie is. “De wiskundige en natuurkundige hypothesen zijn niet ontvankelijk voor veranderingen.”, schreven ze in een tekst voor de Solvayraad van 1927.
“Geloof je nu echt dat de maan niet bestaat als we niet kijken?”
Onder andere Albert Einstein en Erwin Schrödinger, ook aanwezig op die raad, waren het er helemaal niet mee eens. Dingen die hun eigenschappen krijgen door de waarneming?! A. Einstein vroeg N. Bohr tijdens een wandeling “Geloof je nu echt dat de maan niet bestaat als we niet kijken? ”Hoe kan het universum weten dat iemand ergens een waarneming of een meting doet?” was een andere lastige vraag.
Op de raad van 1927 voerde A. Einstein ook nog aan dat het plotse ineen klappen van de golffunctie waarbij de waarschijnlijkheid op één plaats 100% wordt en op alle andere plaatsen ineens 0% een ‘onmiddellijke actie op afstand’ veronderstelde, sneller dan de lichtsnelheid. Dat is totaal in strijd met het principe van lokaliteit, waarop we straks nog uitvoeriger zullen terugkomen.
Erwin Schrödinger werkt samen met Albert Einstein een gedachten-experiment uit om de onzinnigheid van de Kopenhagen- interpretatie aan te tonen: De Kat van Schrödinger, een spottend bedoelde karikatuur om aan te tonen tot welke onzin de Kopenhagen-interpretatie leidt.
Hij publiceert dit experiment in het tijdschrift Die Natuurwissenschaften van november 1935 in een lang artikel over de huidige toestand in de kwantummechanica.
De kat van Schrödinger
Kat van Schrödinger, artistieke interpretatie. Schrödinger zelf beschreef het gedachtenexperiment enkel in tekst, zonder afbeelding.Schrödingers kat (uit: Kwantumrevolutie, 47 sec, Nederlands)
“Je kunt ook het volgende redelijk belachelijke experiment bedenken. In een afgesloten stalen kist zit een kat, een geigerteller en een kleine hoeveelheid radioactieve stof, zo klein dat in de loop van een uur één van de atomen kan vervallen, maar even waarschijnlijk geen enkel. Wanneer een dergelijk verval optreedt, zet de geigerteller via een relais een hamer in beweging, die een klein flesje met het zeer giftige waterstofcyanide verbrijzelt.
Als het systeem een uur aan zichzelf wordt overgelaten is de ψ functie van het hele systeem een superpositie van een de kat die leeft en tegelijkertijd dood is, in gelijke delen met elkaar vermengd.”
Na één uur. Voor de waarneming.
De typische onbepaaldheid, die oorspronkelijk op atomair niveau bestond (radioactief atoom), is veranderd in een macroscopische onbepaaldheid (kat), die vervolgens daadwerkelijk kan worden bepaald met een direct observatieproces.” De observatie door de waarnemer bepaalt of de kat dood is of niet.
De observatie bepaalt het lot van de kat.
Tot deze onzinconclusie leidt ons de kwantummechanica, aldus E. Schrödinger. Er is dus iets mis mee. Er ontbreekt iets aan de kwantummechanica dat dergelijke onzin uitsluit. Dat iets wat ontbreekt, wordt sindsdien verborgen variabelengenoemd. Deze nog niet ontdekte elementen zouden een logische verklaring geven van de rariteiten van de kwantummechanica.
Kopenhagers verdedigen zich
Niels Bohr, Werner Heisenberg en de andere ‘Kopenhagers’ sloegen terug met het argument dat superposities enkel eigenschappen waren van de kwantumwereld en dat geigertellers, hamers en katten en dus geen superposities konden vormen. Dat verhaal van de kat is volgens hen dus nonsens.
E. Schrödinger argumenteerde dat ook katten uit kwantumdeeltjes bestaan en dus wel degelijk in een superpositie moeten opgenomen worden. Albert Einstein was het eens met E. Schrödinger en zocht tevergeefs tot aan zijn dood in 1955 naar ontbrekende elementen in de kwantummechanica. En hij raakte nooit overtuigd. In 1953, enkele jaren voor zijn overlijden schrijft hij nog:
“Naar mijn mening is het in principe niet bevredigend dat een dergelijk theoretisch kader aan de basis van de natuurkunde ligt, vooral omdat de objectieve beschrijfbaarheid van een individueel macroscopisch systeem (beschrijving van de “werkelijke toestand”) niet kan worden opgegeven zonder het beeld van de fysieke wereld die als het ware oplost in een wolk.
Tenslotte is het oordeel dat de natuurkunde moet streven naar een reële beschrijving van een individueel systeem onvermijdelijk. De natuur als geheel kan alleen worden gezien als een individueel (afzonderlijk bestaand) systeem en niet als een ‘geheel van systemen’ ”.
In 1961 bedenkt de Hongaars-Amerikaanse natuurkundige Eugene Wigner (1902 – 1995), Nobelprijs 1963, een gesofistikeerde versie van Schrödingers kat experiment. De vraag die hij met zijn experiment wil beantwoorden is of er een bewuste waarnemer nodig is om de collaps van de golffunctie te veroorzaken. Dit gedachtenexperiment heeft tot heel wat discussies geleid tussen fysici en filosofen. Het is nog niet uitgevoerd maar sommigen denken dat dit in de niet zo verre toekomst zal mogelijk zijn, namelijk wanneer A.I. voldoende ontwikkeld is om te kunnen denken (een bewustzijn te hebben) zoals de mens.
Intussen werd in 2012 de Nobelprijs voor fysica toegekend aan de Fransman Serge Haroche (1944) en de Amerikaan David Whineland (1953) voor hun experiment waarmee ze bewezen dat een kwantumsysteem (geen kat) wel degelijk in twee toestanden tegelijk kan voorkomen. De kwantummechanica heeft toch gelijk! Geen spoor van verborgen variabelen!
Veel-werelden hypothese
De Kopenhagen-interpretatie wordt nog altijd het meest aanvaard. Bij gebrek aan een beter alternatief. Het blijft spookachtig dat een kwantumdeeltje zijn eigenschappen krijgt door de waarneming. Wie snapt dat écht? Ook het probleem van de collaps van de golffunctie blijft tot op vandaag voor onbehagen zorgen.
Eén van die meer succesvolle onder de andere interpretaties is de veel-werelden hypothese. Ze werd bedacht door de Amerikaanse fysicus Hugh Everett (1930 – 1982). In het kort komt ze op het volgende neer:
Bij elke meting splitst het heelal zich op in een veelheid van parallelle werelden, die elk een andere uitkomst van het meetproces vertegenwoordigen.
De golffunctie stort nooit in elkaar. Er is geen collaps. In plaats daarvan worden alle mogelijke uitkomsten van de golffunctie elk in een eigen wereld gerealiseerd. Hierdoor wordt het traditionele meetprobleem effectief verwijderd uit de kwantummechanica.
Deze interpretatie leidt tot het bestaan van meerdere, niet-communicerende parallelle universa, waar elke mogelijke uitkomst van een kwantummeting wordt geactualiseerd.
Toegepast op Schrödingers kat betekent de veel-wereld interpretatie dat op het moment van de waarneming er twee werelden ontstaan één met een levende en een andere met een dode kat. Er is dus helemaal geen collaps van de golffunctie maar volgens sommigen wel een collaps van het gezond verstand.
Het kan betwijfeld worden of deze veel-werelden-hypothese ooit experimenteel zal kunnen bevestigd of ontkend worden.
Door de waarneming wordt de wereld in twee werelden opgesplitst. Eén met een dode en één met een levende kat.
instein Attacks Quantum Theory”, New York Times, 4 mei 1935
De avonturen van Alice en Bob
In 1935 is Albert Einstein hoogleraar aan het pas opgerichte Institute for Advanced Study in Princeton (VS). En daar buigt hij zich opnieuw over de interpretatie van de kwantummechanica. “De kwantummechanica is inderdaad een zeer succesvolle theorie”, aldus Einstein, “maar ze leidt tot totaal onzinnige en onaanvaardbare conclusies.”
Samen met twee collega’s, Boris Podolsky (1896-1996) en Nathan Roosen (1909-1995), publiceert hij in 1935 een gedachtenexperiment dat de kranten haalt en nu bekend staat als de EPR (Einstein-Podolsky-Roosen) paradox. En dat gedachtenexperiment wordt hieronder beschreven.
Einstein-Podolsky-Roosen-Paradox
Veronderstel een elektronenpaar of een ander samengesteld deeltjespaar met spin gelijk aan nul. Spin = 0 betekent dat het totale draaimoment van dit deeltjespaar nul is.
Stel dat het uiteenvalt in twee elektronen, die omwille van de wet van behoud van draaimoment tegengestelde spin moeten hebben.
De elektronen bewegen zich vervolgens in tegengestelde richting naar twee waarnemers, die we Alice en Bob noemen. Wat weten we al?
een elektron heeft altijd een spin \(\frac{1}{2}\)
wanneer de spin gemeten wordt ten opzichte van een bepaalde richting zijn er maar twee mogelijkheden: + \(\frac{1}{2}\) (elektron draait rechtsom ten opzichte van de richting, spin up ↑ ) of – \(\frac{1}{2}\) (elektron draait linksom, spin down ↓ ).
als Alice spin up meet, zal Bob spin down meten. En omgekeerd. De spin van de elektronen is immers tegengesteld aan elkaar.
Maar dat is helemaal het punt niet. We gaan er dan bijna automatisch van uit dat spin up of spin down vaste eigenschappen van elk van beide elektronen zijn. Maar volgens de kwantummechanica is dat helemaal niet zo. Ze krijgen die eigenschap pas door de meting.
A. Einstein en zijn collega’s willen met hun paradox aantonen dat dit tot wel zeer bijzondere en onverwachte conclusies leidt.
Om dat de begrijpen moeten we golffunctietaal gebruiken:
We vertrekken met Alice die het elektronenpaar in haar lab heeft. We stellen dit elektronen paar voor door A, B.
De totale golffunctie van het elektronenpaar is de superpositie van alle mogelijke combinaties met totale spin = 0. Dus: A-spin up, B-spin down + A-spin down, B-spin up:
ΨA,B = Ψ↑A ΨB↓+ Ψ↓A ΨB↑
Let op! Als Alice spin up meet zal Bob spin down meten (of andersom). De spin van beide deeltjes is immers tegengesteld aan elkaar. De superpositie betekent dat elk van beide elektronen tegelijkertijd in spin up én in spin down toestand is en dat kan men niet meten. Ze zijn verstrengeld en blijven verstrengeld zolang de superpositie blijft bestaan. Hoe ver A en B ook van elkaar verwijderd zijn.Verstrengeldbetekent hier dus “onverbrekelijk met elkaar verbonden”.
We nemen nu aan – het is een gedachtenexperiment – dat het elektronenpaar A, B verdeeld wordt tussen Alice en een collega Bob die zich op een willekeurige andere locatie bevindt. We doen dat zo dat de superpositie behouden blijft.
Alice meet nu de spin van elektron A. Dit kan zowel spin down als spin up zijn.
Volgens de Kopenhagen-interpretatie veroorzaakt de meting de collaps van Ψ:
Als Alice spin up meet Ψ↑A ΨB↓ weet ze onmiddellijk dat Bob spin down zal meten.
Als Alice spin down meet: Ψ↓A ΨB↑ weet ze onmiddellijk dat Bob spin up zal meten.
Een meting van Alice bepaalt onmiddellijk de spin van haar elektron maar ook die van het elektron van Bob. Hoe groot de afstand tussen beide ook is. Bijvoorbeeld Bob in Brussel en Alice op een basis op Mars.
Dat is tegen het principe van lokaliteit, een grondwet van de fysica. Deze wet stelt dat de band tussen oorzaak en gevolg nooit vlugger kan zijn dan de snelheid van het licht. Iets dat onmogelijk lijkt, gebeurt toch. Dat is een paradox.
Daarom noemt Albert Einstein een actie zoals tussen Alice en Bob misprijzend “a spooky action at a distance.”
Volgens A. Einstein is dit in conflict met de relativiteitstheorie omdat er informatie gaat van elektron Alice naar Bob met een oneindige snelheid. Dat is echter niet het geval. Alice en Bob sturen niet zelf informatie naar elkaar, sneller dan het licht. Zowel Alice als Bob zien bij de metingen willekeurig up en down, en pas als ze later de resultaten naast elkaar leggen, blijkt dat ze altijd tegengesteld zijn.
Einstein was veel meer dan een briljant natuurkundige: hij gebruikte zijn wereldfaam om zich uit te spreken over pacifisme, burgerrechten, sociale rechtvaardigheid en kernwapens, en groeide zo uit tot een van de bekendste publieke intellectuelen van de 20e eeuw
Het Institute for Advanced Study in Princeton werd een toevluchtsoord voor uitzonderlijke wetenschappers en denkers, onder wie Albert Einstein, die er vanaf de jaren 1930 werkte. Het instituut gaf onderzoekers ongewoon veel vrijheid om zonder lesverplichtingen of directe toepassingen fundamentele vragen te onderzoeken.
Objecten die pas eigenschappen krijgen als we kijken. Of erger nog, iemand meet een eigenschap van een kwantumobject in haar lab en dit heeft rechtstreeks effect op de meting van de eigenschap van een ander object dat eventueel lichtjaren van het eerste verwijderd is.
Zo raar kan het universum toch niet in elkaar zitten? “Als dat waar is, was ik nog liever timmerman of bediende in een speelhol geworden, “schrijft Albert Einstein (1879 – 1955). Zelfs Niels Bohr (1885 – 1962) verzet zich eerst heftig tegen het idee van verstrengeling.
Spooky
De kwantummechanica leidt tot onbegrijpelijke conclusies en overtreedt de wet van lokaliteit, een basisbeginsel van de fysica. Maar helemaal fout kan de kwantummechanica toch ook niet zijn, want ze wordt in alle tot nog toe bekende en uitgevoerde experimenten bevestigd. Er ontbreekt iets aan. Maar wat dan wel?
Tot ongeveer 1970 dachten vele fysici dat de kwantumwereld eigenschappen had, die nog niet gevonden waren. Eens ontdekt, zouden al die rare dingen opgelost geraken. A. Einstein was er heel zijn leven van overtuigd dat kwantumobjecten vaste eigenschappen hebben, los en voor elke waarneming. De theorie moest verbeterd, aangevuld worden. De kwantummechanica zou onvolledig zijn en moeten aangevuld worden. Dat was het geloof in de verborgen variabelen.
In de theorie van de verborgen variabelen hebben de deeltjes als eigenschap spin up (zwart) of spin down (wit). Als Alice wit meet, weet ze onmiddellijk dat Bob zwart zal meten. Hetzelfde resultaat als de kwantummechanica. Het experiment laat de keuze onbeslist.
John Bell kon wiskundig aantonen dat er experimenten kunnen uitgevoerd worden die een verschil in resultaat laten zien tussen de theorie van de verborgen variabelen en van de kwantummechanica. John Clauser e.a. voerden zo’n experiment uit en vonden precies wat J. Bell had voorspeld. Verborgen variabelen bestaan niet, tenzij de wet van lokaliteit niet zou gelden. Maar daarvoor bestaat er momenteel geen enkel bewijs.
John S. Bell (1928 – 1990), een fysicus uit Noord-Ierland en staflid van CERN, ontwikkelt in 1964 een test waarmee hij hoopt wat rust in het debat te brengen. De test draagt de naam ‘Bell’s Inequalities’, de Bell-ongelijkheden.
Die ongelijkheden zijn wiskundige uitdrukkingen met correlaties of verbanden tussen waarden van metingen op verstrengelde deeltjes. Als aan de ‘Bell Inequalities ‘is voldaan, kunnen de correlaties worden verklaard door de klassieke natuurkunde. Als er sprake is van een overtreding van ‘Bell Inequalities’, kunnen de correlaties niet worden verklaard door een theorie van verborgen variabelen die lokaal is. D.w.z. dat interacties sneller dan licht onmogelijk zijn. En dan moet het gedrag van het systeem worden beschreven door de kwantummechanica.
De ‘Bell Inequalities’ laten toe een antwoord te vinden op de vraag of er verborgen variabelen zijn en de kwantummechanica dus onvolledig is, of niet.
John Bell ontwikkelde zelf een gedachtenexperiment om aan te tonen dat verstrengeling lokaliteit uitsluit. Zijn ongelijkheden doen voorspellingen over de meetresultaten van dat gedachtenexperiment wanneer de klassieke visie van de verborgen variabelen of de kwantummechanische versie de juiste zou zijn.
Geïnspireerd door het artikel van John Bell uit 1964 voerden John Clauser (1942) en zijn assistent Stuart Freedman (1944) in 1972 aan de universiteit van Berkeley (VS) voor het eerst een experiment uit dat aantoonde dat verstrengeling tussen twee deeltjes op een afstand van ongeveer drie meter echt bestaat. Het zou hem, samen met Alain Aspect (F) (1977) en Anton Zeilinger (A) (1945), de Nobelprijs voor fysica van 2022 opleveren.
Gedachtenexperimenten met betrekking tot de kwantummechanica in het lab testen was toen bijzonder impopulair. Je kreeg er een slechte reputatie door. “Richard Feynman (1918 – 1988), toen al Nobelprijswinnaar fysica”, zegt J. Clauser in een interview, “was heel kwaad op mij. Kwantummechanica is correct en moet niet getest worden. Door mijn werk zou ik het geloof in de kwantummechanica aantasten.” J. Clauser startte het experiment in de overtuiging dat A. Einstein gelijk had en niet Niels Bohr. Hij verloor er een weddenschap door.
Na 1972 werden honderden experimenten in verband met verstrengeling uitgevoerd, die alle de conclusie van John Clauser en Stuart Freedman bevestigden. Verstrengeling is een reëel fysisch verschijnsel.
Alain Aspect voert in 1982 in het Institut d’Optique te Parijs een experiment uit waarmee hij bij de eersten is die het bestaan van die verstrengeling voor fotonen aantoont. In zijn lezing bij de toekenning van zijn Nobelprijs heeft hij het over de tweede kwantumrevolutie. “Er is aangetoond dat er geen verborgen variabelen bestaan die op een fundamenteler niveau de “merkwaardigheden’ van de kwantumfysica zouden kunnen verklaren. Alhoewel sommigen nog altijd twijfelen”.
In 2015 slaagt een team aan de universiteit van Delft erin met geïsoleerde elektronen in diamantkristallen een verstrengeling te realiseren over een afstand van 1,3 km. In december 2022 vestigde het team van Arthur Zeitlinger in Oostenrijk een nieuw record van verstrengeling in optische vezels over 248 km. Een belangrijke stap op weg naar het kwantum internet. Het vorige record stond op 100 km.
De meeste critici raakten overtuigd: verstrengeling is een feit. Albert Einstein heeft ongelijk. De kwantummechanica heeft gewonnen. Eén van de grondslagen van de kwantumfysica lijkt nu wel definitief bewezen.
Kop New York Times, 22 oktober 2015 (link)
Al die experimenten hebben het criterium van J. Bell verworpen en getoond dat de natuur wel “spookier” is dan hetgeen A. Einstein kon verwachten.
Het onderzoek binnen de kwantumfysica bloeit als nooit tevoren en men kan verwachten dat daaruit de voortkomende technologie de technologie van de toekomst zal zijn. Deze zal leiden naar hightech cryptografie, kwantumcomputers en het kwantuminternet.
Einstein was veel meer dan een briljant natuurkundige: hij gebruikte zijn wereldfaam om zich uit te spreken over pacifisme, burgerrechten, sociale rechtvaardigheid en kernwapens, en groeide zo uit tot een van de bekendste publieke intellectuelen van de 20e eeuw
Het Institute for Advanced Study in Princeton werd een toevluchtsoord voor uitzonderlijke wetenschappers en denkers, onder wie Albert Einstein, die er vanaf de jaren 1930 werkte. Het instituut gaf onderzoekers ongewoon veel vrijheid om zonder lesverplichtingen of directe toepassingen fundamentele vragen te onderzoeken.
Hannah, Robert; Master Isaac Newton in His Garden at Woolsthorpe, in the Autumn of 1665; The Royal Institution
De Kwantumrevolutie in 8 tegenstellingen
Klassieke vs kwantummechnica, een lijstje van 8 tegenstellingen
KLASSIEKE MECHANICA
KWANTUMMECHANICA
Duidelijk scheiding tussen golf en deeltje
Duaal karakter van de materie: golf én deeltje
Continue dynamische eigenschappen
Gekwantiseerde dynamische eigenschappen
Eigenschap is er al voor de meting
Voor de meting zijn eigenschappen in superpositie. Door de meting wordt één van de mogelijkheden gerealiseerd
Waarnemer verandert het systeem niet. Passieve toeschouwer
Waarnemer verandert het systeem. Waarnemer veroorzaakt collaps.
Determinisme
Waarschijnlijkheid
Exacte meting van positie en snelheid
Onzekerheidsprincipe
Intuïtief
Contra intuïtief
Lokaliteit: snelheid van beïnvloeding nooit groter dan lichtsnelheid
Onmiddellijk beïnvloeding tussen objecten groter dan de lichtsnelheid mogelijk
Zelfs na 100 jaar blijft de kwantumwereld een raadsel
Denk je de wereld niet meer te begrijpen na het lezen van voorbije hoofdstukken? Je bent niet alleen, niemand begrijpt de kwantumwereld immers écht…
Degenen die niet geschokt zijn als ze voor het eerst in aanraking komen met de kwantumtheorie, kunnen het onmogelijk hebben begrepen. (Niels Bohr)
Kwantummechanica houdt absoluut geen steek (Roger Penrose)
Als je niet helemaal in de war bent door de kwantummechanica, begrijp je het niet. (John Wheeler)
Alles wat we echt noemen, is gemaakt van dingen die niet als echt kunnen worden beschouwd. (Niels Bohr)
Als de kwantumtheorie correct is, betekent dit het einde van de natuurkunde als wetenschap (Albert Einstein)
God dobbelt niet. Albert Einstein
Het is veilig om te zeggen dat niemand de kwantummechanica begrijpt. (Richard Feynman)
Alles wat we echt noemen, is gemaakt van dingen die niet als echt kunnen worden beschouwd. (Niels Bohr)
Maar ook…
De kwantummechanica is de meest nauwkeurig geteste en meest succesvolle theorie in de geschiedenis van de wetenschap. (Steven Weinberg)
Het is de meest nauwkeurige fysische theorie die ooit is ontwikkeld. (Richard Feynman)
Het is niet alleen de beste theorie die we hebben – het is de beste theorie die we ooit hebben gehad, punt uit. (Sean Carroll)
Mijn favoriete karakterisering van hoe natuurkundigen reageren op de schijnbare vreemdheid van de kwantummechanica is: ‘Zwijg en bereken!’ (David Mermin)