Hendrik Antoon Lorentz, 1853-1928

De klokken in het stadhuis en in alle kerken van het Nederlandse Haarlem werden geluid, de vlaggen hingen halfstok en zelfs de telegraafdienst lag drie minuten stil. Het was geen lid van het koninklijk huis dat overleed, maar de natuurkundige Hendrik Antoon Lorentz. Grafredes werden gehouden door niemand minder dan Albert Einstein, Paul Ehrenfest, Ernest Rutherford en Paul Langevin.
Wie was deze natuurkundige, die in 1902 de Nobel-prijs fysica kreeg, door A. Einstein ‘een levend kunst-werk’ genoemd werd en de hoogste lof ontving van de internationale wetenschap?

H. A. Lorentz belichaamt de omwenteling die de fysica eind negentiende en begin twintigste eeuw meemaakte. Een omwenteling die we in de Hendrik Lorentz zaal hebben geschetst en die door de classicus Gilbert Murray (1886 – 1956), de opvolger van H. Lorentz als voorzitter van de Commission internationale de coopération intellectuelle (CICI), zo wordt omschreven:
“De vaste wereld waarin wij waren opgeleid in de tachtiger jaren [van de 19de eeuw] heeft zich opgelost onder onze voeten. (…) De begrijpelijke, of ogenschijnlijk begrijpelijke wereld van de negentiende-eeuwse natuurkundige is verdwenen en in haar plaats worden wij geconfronteerd met een wereld die, zo lijkt het voor een leek, op het ogenblik noch begrepen, noch verklaard, noch zelfs beschreven kan worden, behalve in wiskundige formules.”
H. Lorentz paste zich behoorlijk soepel aan deze radicale omwenteling, hoewel hij tot het eind van zijn leven bleef vasthouden aan het bestaan van een ‘ether’. Dat was een bedachte substantie die dienst zou doen als ‘drager’ van lichtgolven en door A. Einstein naar het rijk der fabels werd verwezen. H. Lorentz accepteerde de relativiteitstheorie, waartoe hij zelf een bijdrage had geleverd, maar stond minder open voor de kwantumtheorie.
De onzekerheid in de natuurkunde had zijn weerslag op H. Lorentz zelf. Tegen het eind van zijn leven schijnt hij tegen een collega gezegd te hebben: “Ik heb de overtuiging verloren, dat mijn werk tot een objectieve waarheid geleid heeft, en ik weet niet waarvoor ik geleefd heb; ik betreur slechts dat ik niet al vijf jaar eerder gestorven ben, toen mij alles nog duidelijk leek.”

Maar H. Lorentz was niet alleen vermaard om zijn wetenschappelijke bijdrage. Hij was ook goed in het bijeen brengen van wetenschappers om discussies te stimuleren. Zo was hij meermaals voorzitter van de beroemde Solvayraden, waarin hij geprezen werd om zijn “onvergelijkelijke tact en ongelofelijke virtuositeit. Hij spreekt, naast Nederlands, Frans, Engels, Duits even goed en is van een unieke wetenschappelijke scherpzinnigheid.” Aldus A. Einstein die een grote vriend van hem was. In 1925 werd H. Lorentz voorzitter van de Commission internationale de coopération intellectuelle (CICI) die in 1919 werd opgericht door de Volkenbond en in 1945 zou opgaan in de Verenigde Naties.
Hij bezat en gebruikte met succes de mentale levendigheid die nodig is om het samenspel van de discussie te volgen, het inzicht dat nodig is om die uitspraken zo samen te vatten dat de essentie duidelijk was, en de wijsheid om de discussie langs vruchtbare kanalen te leiden. Hij deed dit zo bekwaam dat het proces nauwelijks waarneembaar was.
H. Lorentz was het toonbeeld van een keurige wetenschapper, soms op het saaie af. Hij streefde, hoewel hij niet erg gelovig was, typisch calvinistische waarden na. Hard werken, niet pronken met je veren en emoties inslikken.
Lorentz staat symbool voor de omwenteling in de fysica van de ‘stabiele’ negentiende eeuw naar een nieuw denken over deeltjes, krachten, en de natuur.

