Erwin Schrödinger

Een prinselijke doorbraak en de mysterieuze psi
In 1900 verschijnen de eerste tekenen van de kwantumwereld. In 1920 zijn we ondertussen twintig jaar verder. Hoe ver staan we dan? Hebben we al een betrouwbare kaart van deze wereld? Hebben we al een overkoepelende theorie die de kwantumwereld met de dagelijkse wereld verzoent? Een wegwijzer voor deze nieuwe wereld die, zoals elke goede kaart, toelaat een betrouwbaar parcours doorheen de kwantumwereld af te leggen? Een theorie die nieuwe dingen voorspelt? Nee dat hebben we nog lang niet.
De jaren 1920 gaan daar grote veranderingen in brengen!
Straal elektronenbaan is gekwantiseerd


Het atoommodel van N. Bohr maakt het model van E. Rutherford stabiel en verklaart de oorsprong van de spectraallijnen.
De straal waarbij het elektron zich omheen de kern beweegt is niet willekeurig, maar gekwantiseerd.
Die kwantiseringsvoorwaarde is echter een onbewezen postulaat dat de stabiliteit van het Rutherford-atoom en de oorsprong van de spectraallijnen kan verklaren.
Het model moet voortdurend aan nieuwe experimentele gegevens aangepast worden. Bovendien, en dat is nog veel erger, er is geen enkele verklaring voor het postulaat van N. Bohr. Een postulaat is geen wetenschap.
Maar het werkt wel. Een beetje toch. Het lijkt dat we al een beetje op de goede weg zitten. Maar we zijn er nog lang niet.
Golf of deeltje?

In de klassieke fysica voor 1900 is licht een elektromagnetische golf. Het vertoont alle kenmerken van een golf: de energie ervan hangt af van de intensiteit van de golf. Als ze samen komen, ondergaan golven van dezelfde golflengte interferentie.
Om de straling van een gloeiend voorwerp te verklaren moet M. Planck in 1900 aannemen dat elektromagnetische straling energie opneemt of afgeeft in pakjes of kwanta. Dan blijkt in 1902 dat de energie van licht afhangt van de frequentie. Licht heeft ook deeltjeseigenschappen beweert Albert Einstein (1879 – 1955). Na 1915 staat dit zo goed als vast. A. Einstein krijgt er in 1921 de Nobelprijs voor.
Een elektron dat zich voor een deel ‘normaal’ gedraagt en voor een ander deel niet. En een golf met deeltjeseigenschappen. Materie lijkt wel een dubbel, een dualistisch karakter te hebben. Hoe kan dat nu?
In 1921 is dat nog erg onduidelijk. De kaart van de kwantumwereld vertoont nog erg veel witte vlekken. Maar er zijn grote doorbraken op komst!
Animatie golf vs deeltje
Een natuurlijk getal

Als nieuwkomer kan Louis de Broglie gemakkelijker vrij denken en hij komt met een wilde maar opmerkelijke intuïtie:
“Als licht zowel deeltjes- als golfeigenschappen kan hebben, dan kunnen deeltjes misschien ook golfeigenschappen hebben. Hierdoor zou het merkwaardig gedrag van het elektron misschien kunnen verklaard worden. Het elektron is immers een ‘raar’ deeltje. Ik verwacht er dan ook ‘rare’ eigenschappen van.Het is bovendien in overeenstemming met het onder fysici wijdverspreide geloof in de symmetrie van de natuur.”
Er is nog een reden waarom L. de Broglie gelooft in het golfkarakter van het elektron.
In het model van Niels Bohr (1885 – 1962) hangt de energie van een elektron af van de waarde van een natuurlijk getal n (1,2,3,…):

In de klassieke fysica hangen alleen golfverschijnselen zoals interferentie af van een natuurlijk getal n (n = 1,2,3,…).
De golven versterken elkaar als hun wegverschil gelijk is aan nλ.
De golven verzwakken elkaar als hun wegverschil gelijk is aan (n+0,5)λ.
Zou die n in de formule van N. Bohr geen hint kunnen zijn naar het golfkarakter van een elektron, vraagt Louis zich af.
de Broglie heeft een tipje van de sluier opgelicht
Op de Solvayraad van 1921 staat het atoommodel van N. Bohr op het programma. Maurice de Broglie is er verslaggever en brengt ook aan zijn broer Louis verslag uit. Dat zet Louis aan het denken.
Hij bouwt verder op zijn intuïtie en komt in 1923 tot een opmerkelijk besluit:
EEN ELEKTRON HEEFT EEN GOLFLENGTE EN IK KAN DIE BEREKENEN!
Zijn redenering in een notendop:
Een foton heeft geen (rust)massa. Maar het kan wel een elektron losslaan uit een metaal.
Het moet dus een impuls p hebben. A. Einstein vindt in 1917 voor de grootte van deze impuls:
Dit wordt bevestigd door Arthur Compton in 1922.
Een elektron heeft een impuls mv. Als een elektron een golfkarakter zou hebben, dan geldt voor de grootte ervan wellicht ook dezelfde betrekking als voor het foton.
Hij komt dan tot het volgende resultaat:
of
waar λ de golflengte is van het elektron.
In de vergelijking \(\lambda = \frac{h}{mv}\) komen de kenmerkende eigenschappen van een golf (λ) en van een deeltje (m) samen. Het kwantumaspect zit in h.
Deze formule wordt de derde belangrijke wet van de kwantumwereld. In 1923 is dat nog een postulaat. Een bewering die nog door een experiment bewezen moet worden. Die bewering was een intuïtie, een vermoeden dat uit een intuïtie ontstaan is, net zoals de kwanta van Max Planck (1858 – 1947) en de kwantumvoorwaarde van N. Bohr.
Zo gaat wetenschap vooruit. Een intuïtie is een vermoeden, dat vermoeden wordt verbonden met wetenschappelijke feiten en leidt tot een conclusie.
Die conclusie is een te bewijzen postulaat. Als dat postulaat experimenteel ondersteund wordt, zal het een wetenschappelijk feit worden. Dat feit kan dan door een experiment onderuitgehaald worden. En de cyclus start opnieuw.
In 1925 legt Louis de Broglie zijn doctoraatsthesis neer. De jury is verbijsterd. Een deeltje met een golflengte!! Ze vraagt Albert Einstein (1879 – 1955) om zijn advies. Deze schrijft naar de juryvoorzitter Paul Langevin (1872 – 1946): “de Broglie heeft een grote indruk op mij gemaakt. Hij heeft een tipje van de sluier opgelicht.”
L. de Broglie krijgt zijn doctoraat en in 1929 de Nobelprijs fysica voor zijn ontdekking van het golfkarakter van het elektron.


De golflengte van een basketbal
De wet van L. de Broglie houdt in dat elk deeltje met massa m en snelheid v een golflengte λ heeft.
Geldt dat dan ook voor basketballen? Die hebben volgens L. de Broglie toch ook een golflengte? Waarom zien we dan geen interferentiepatroon met een basketbal?
Dat komt omdat de golflengte die verbonden is aan een bewegende basketbal onwaarneembaar klein is. We rekenen dat even na.
GOLFLENGTE VAN EEN BASKETBAL, GEWORPEN MET EEN SNELHEID VAN 40 m/s

Massa: 0,600 kg
λ = 10-34 m
Golflengte is 1024 keer kleiner dan de diameter van een waterstofatoom. De afstand tussen twee opeenvolgende maxima bij een interferentie-experiment met basketballen is ongeveer 10-34 m. Dit is veel kleiner dan wat detecteerbaar is.
Experimentele bevestiging
In de periode 1923 – 1927 voeren Clinton Davisson (1881 – 1958) en Lester Germer (1896 – 1971), twee onderzoekers aan Western Electric (later Bell Labs) in de VS, experimenten uit die de interferentie bij elektronen aantonen. Vergelijkbare experimenten werden in Cambridge (UK) uitgevoerd door George Paget Thomson (1892 – 1961), zoon van John J. Thomson, die hetzelfde resultaat opleverden. L. de Broglie heeft zijn Nobelprijs in 1929 verdiend.
G.P. Thomson en C. Davisson krijgen er in 1937 de Nobelprijs fysica voor.

Elektronenmicroscoop
De elektronenmicroscoop werd de eerste belangrijke toepassing van de ontdekking van het golfkarakter van het elektron door L. de Broglie. Hij werd in 1931 uitgevonden door de Duitser Ernst Ruska en het bedrijf Siemens AG bracht hem op de markt in 1939.
Een voorwerp is nog detecteerbaar door een microscoop als de golflengte van dezelfde grootteorde is als het voorwerp. Terwijl een gewone lichtmicroscoop tot 1500 keer kan vergroten, kan een elektronenmicroscoop door de veel kleinere golflengte van de elektronen tot 10 miljoen keer vergroten. Hierdoor is hij uiterst geschikt om bijvoorbeeld de structuur van cellen te onderzoeken.
De golflengte van een elektron hangt af van zijn snelheid. In een elektronenmicroscoop worden de elektronen versneld van quasi 0 m/s tot ongeveer 106 m/s.
Hun golflengte bedraagt dan 10-9 m of 1 nm, 10 keer de diameter van een waterstofatoom.


Louis de Broglie begon als historicus, maar ontketende een revolutie in de natuurkunde met het gedurfde idee dat niet alleen licht, maar ook materiedeeltjes zoals elektronen zich als golven kunnen gedragen. Zijn theorie werd experimenteel bevestigd en leverde hem in 1929 de Nobelprijs op, terwijl zijn ideeën over materiegolven en golf-deeltje-dualiteit tot vandaag mee bepalen hoe we de kwantumwereld begrijpen.
Louis de Broglie construeert zijn atoommodel in 4 stappen
Stap 1
Het elektron beweegt als deeltje op een cirkelbaan rond de atoomkern
Stap 2
STAP 2
Met het elektron is een staande golf verbonden met golflengte \(\lambda = \frac{h}{mv} \)

In een staande golf zijn er op vaste plaatsen punten die niet bewegen en daartussen punten die maximaal uitwijken.
Stap 3
De elektronengolf en het elektron als deeltje bewegen synchroon langs de cirkelbaan
Stap 4
Opdat beide gelijke tred zouden kunnen houden moet de elektronengolf een geheel aantal keer in de baan passen. Alleen dan kan de elektronengolf constructief met zichzelf interfereren.

Met \(\lambda = \frac{h}{mv} \) vinden we de voorwaarde voor de stationaire banen van Niels Bohr terug:
Conclusie
In het model van L. de Broglie is het elektron tegelijk een golf en een deeltje. Hiermee zet hij een flinke stap verder in de kwantumwereld dan N. Bohr. Zijn model verklaart de kwantum-voorwaarde van N. Bohr. Maar wie of wat verklaart het model?

Daar gaan onverwacht vlug antwoorden op komen!

Hoe kan een foton impuls hebben terwijl zijn rustmassa nul is? Via Einsteins relativiteitstheorie ontdek je stap voor stap hoe energie, lichtsnelheid en golflengte samen leiden tot de beroemde formule (\(p=\frac{h}{\lambda}\)).

Wat begon als een experiment met elektronen en een nikkeloppervlak leverde een verrassend diffractiepatroon op, alsof elektronen zich als golven gedroegen. Daarmee bevestigden Davisson en Germer in 1927 de revolutionaire hypothese van Louis de Broglie: materie heeft naast een deeltjeskarakter ook een golfkarakter
Duiding: Experimentele bevestiging van de hypothese van de Broglie
Even terug naar de klassieke fysica
Vooraleer we verder gaan maken we eerst even een korte tussenstop naar de klassieke fysica. Hoe doen ze daar dan die berekening? Wat is bijvoorbeeld de golfvergelijking voor een watergolf?

y(x,t) = A sin(ωt + kx)
A = 0,7 m, ω = 2π.f met f = 0,50 sec-1,
k = 2π/λ met λ = 1,50 m
Je kan al deze parameters veranderen en zien hoe de amplitude verandert. Je kan ook bekijken hoe de amplitude op één bepaalde plaats verandert.
In 1746 ontdekte Jean Le Rond d’Alembert, (1717 – 1783) de golfvergelijking waarmee hij de amplitude y van een golf kan berekenen op tijdstip t en plaats x:
De vergelijking is een differentiaalvergelijking. v is de snelheid van de golf \(\frac{\partial^2 y}{\partial t^2}\) en \(\frac{\partial^2 y}{\partial x^2}\) zijn de tweede afgeleiden van y naar t of x. Het zijn wiskundige uitdrukkingen waarmee je kan berekenen hoe vlug de verandering is van de amplitude y op tijdstip t of op positie x.
De oplossing van deze vergelijking is een golffunctie die laat zien hoe de amplitude van een golf met bepaalde golflengte λ en bepaalde frequentie f verandert als functie van positie x en tijd t.
A is een constante
De klassieke vergelijking die geldt voor geluidsgolven, watergolven en alle andere golven is niet van toepassing op elektronengolven. Wat voor rare golven zijn dat dan? Hoe berekenen we dan hun amplitude?
E.. Schrödinger voelt zich uitgedaagd en zet zich aan het werk. Hij trekt zich in de kerstvakantie van 1925 met zijn vriendin terug in een Zwitsers skioord.
Daar krijgt hij een geniale inval.
Hij vertrekt van de klassieke golfvergelijking en gaat trachten daarin de formules van L. de Broglie
\(\lambda = \frac{h}{mv} = \frac{h}{p}\)(het verband tussen golflengte en impuls) en van M. Planck E = hf (de energie van een kwantum van een lichtgolf) te integreren. Dat lukt met wat gewaagde maar wel aannemelijke aannames waar evenwel geen bewijs voor is. E. Schrödinger vertrouwt op zijn intuïtie.
En hij vindt de golfvergelijking voor een elektron (of een ander kwantumdeeltje) en de golffunctie die daarvan een oplossing is. Maar beide wijken toch wel erg af van wat de klassieke fysica leert. Om zijn rekenwerk te doen kloppen moet hij namelijk een getal invoeren waarvan de tweede macht -1 is. Zo’n getal noemen de wiskundigen een imaginair getal i. Maar hiermee komt in de reële wereld helemaal niets overeen.
Het rare is dat met de imaginaire golfvergelijking en met de imaginaire golffunctie die imaginaire waarden voor de amplitude Ψ (x, t) oplevert, toch correcte uitspraken over de reële wereld kunnen gedaan worden! Dat is een groot raadsel van de kwantumfysica waarover nog heel wat discussie zal gevoerd worden.
De Schrödingervergelijking van een elektron en de golffunctie die daarvan een oplossing is. \(\hbar = \frac{h}{2\pi} \)
m: massa elektron, V(x, t): potentiële energie, i = \(\sqrt{-1}\)
In januari 1926 kondigt E. Schrödinger in het tijdschrift Annalen der Physik aan dat hij de golfvergelijking voor elektronengolven gevonden heeft. Een huzarenstuk dat hem in de rij van de allergrootste fysici plaatst.
Maar er zit toch ook een donker randje aan. Hij heeft zijn golfvergelijking gevonden door te steunen op het postulaat van L. de Broglie waardoor ze zelf ook een postulaat wordt. En zijn plausibele maar onbewijsbare aannames zijn toch ook niet echt ok.
Later zal Werner Heisenberg ( 1901 – 1976) zelf hier zeer ongelukkig mee zijn. Hij schreef in een brief van 8 juni 1926 aan zijn vriend, de fysicus Wolfgang Pauli (1900 – 1958): “Hoe meer ik nadenk over het fysische deel van Schrödingers theorie, hoe meer ik ze afschuwelijk vind.” Hij kon het ‘kunst- en vliegwerk’ van E. Schrödinger niet waarderen.
Maar de Schrödingervergelijking levert toch mooi de correcte uitkomsten en is bovendien gemakkelijk toe te passen. Al heel snel spreekt heel de fysicagemeenschap over de Schrödingervergelijking. Ze wordt de grondslag van de kwantumfysica van toen af ook golfmechanica genoemd.
E. Schrödinger krijgt er in 1933 de Nobelprijs voor.

Erwin Schrödinger groeide uit tot een van de grondleggers van de kwantummechanica met zijn beroemde Schrödingervergelijking, maar verzette zich tegelijk tegen de gangbare interpretatie van de theorie die hij zelf mee vormgaf. Zijn bewogen leven voerde hem van Wenen en Zürich via ballingschap naar Dublin, waar hij zich bovendien met What is Life? ook op het raakvlak tussen fysica en biologie begaf.
Het probleem…
Uit de golfvergelijking van het waterstofatoom kan Erwin Schrödinger (1887 – 1961) zoveel verschillende golffuncties afleiden als er mogelijke sets van de drie kwantumgetallen (n, l en m) zijn. Dat die kwantumgetallen er zijn en in welke combinaties, volgt dus op wiskundige wijze uit de golfvergelijking.
Het spectrum van waterstof kan theoretisch helemaal berekend worden. Met elke golffunctie kan immers ook de erbij horende energie berekend worden. Alleen de geheimzinnige spin (zie verder in zaal 6) van het elektron zit nog niet in de vergelijking. Maar dat zal geen jaar meer duren.
De kwantumfysica had nu een volwaardige, mathematisch onderbouwde theorie. Er kon gerekend worden! Met de golffunctie van een kwantumsysteem kunnen immers alle eigenschappen ervan berekend worden. Een doorbraak en een groot succes!
Maar er was toch een probleem met Ψ.
Wat betekent Ψ eigenlijk?
In de golffunctie voor geluids-, water- of andere ‘gewone ‘golven staat Ψ voor een meetbare grootheid. De hoogte van een watergolf bijvoorbeeld. Maar in de kwantumwereld klopt dat niet meer.
Wat betekent Ψ hier? Dat bleek een moeilijk probleem, dat nog altijd niet helemaal is opgelost.
Wat is er aan de hand?

Het getal i
In de Schrödingervergelijking komt een merkwaardig wiskundig symbool voor dat niet voor-komt in de ‘klassieke’ golfvergelijking: i.
i is een imaginair getal, de vierkantswortel uit -1.
Samen met de reële getallen a en b wordt het complex getal z = a+bi gevormd.
Het complex getal a + bi leidt tot een reëel getal door het met zijn complex toegevoegde (a + bi)* = a – bi te vermenigvuldigen:
Schrödingervergelijking
waarbij
Het probleem met i
Het probleem is nu dat met een imaginair of een complex getal in de reële wereld helemaal niets overeenkomt. Voor de ons vertrouwde golven zoals watergolven, geluidsgolven en seismische golven staat Ψ voor de intensiteit van golven. Maar in de kwantumwereld komt er een imaginair getal mee overeen.
Wat is dat nu weer? Een oplossing van een vergelijking die in die echte wereld niets betekent!
Nu kan men die imaginaire i met een wiskundig trucje wegwerken. Door de functie met de complex toegevoegde functie – hierin is i vervangen door -i – te vermenigvuldigen. In de klassieke fysica doet men dat soms ook om het rekenwerk te vergemakkelijken.
Maar niet in de kwantumwereld. Zonder i bekomt men verkeerde resultaten. En zelfs als men i zou wegwerken blijft het onduidelijk waar de golffunctie Ψ in de reële wereld dan voor staat. Is ze dan alleen maar nuttig om berekeningen mee te maken? Dat kan toch niet?

Waarom duikt het mysterieuze getal (i) overal op in de kwantummechanica, terwijl de klassieke fysica het nauwelijks nodig heeft? Ontdek waarom zelfs Schrödinger aanvankelijk moeite had met complexe getallen, en hoe juist (\(\Psi\Psi^*\)) de brug vormt tussen een complexe golffunctie en de meetbare werkelijkheid.
de Broglie
Voor Louis de Broglie (1892 – 1987) is een elektron tegelijkertijd een golf en een deeltje: het draait rondom een atoomkern en wordt hierbij geleid door de bijhorende elektronengolf met golflengte \(\lambda = \frac{h}{mv}\) . Het elektron en zijn ‘draaggolf’ bewegen synchroon rond de atoomkern.

Schrödinger
Voor E. Schrödinger is een elektron enkel een golf. Hij ziet het elektron als een rond de atoomkern uitgesmeerde ladingsgolf met op verschillende plaatsen een andere dichtheid. Ook deze voorstelling bleek niet te kloppen. Bij experimenten blijkt dat de lading van het elektron voor 100% in één punt geconcentreerd is.
Zowel L. de Broglie als E. Schrödinger volharden in het deeltje-golf denken. Zij het op een verschillende manier.

Heisenberg e.a.
Dan komt de nieuwe lichting met o.a. W. Heisenberg, die afstapt van het idee dat men over het elektron kan spreken in termen van golf of deeltje. Het is de waarneming die bepaalt welke van de twee het is. Voor de waarneming kan de golffunctie alleen iets zeggen over de kans om een elektron op een bepaalde plaats aan te treffen.
Hierover ontstaat grote heibel tussen A. Einstein, E. Schrödinger en L. de Broglie aan de ene kant en fysici van de nieuwe lichting zoals W. Heisenberg en P. Dirac. Verzoening zal niet mogelijk zijn zoals op de Solvayraad van 1927 duidelijk zal worden.
Niels Bohr (1885 – 1962), leermeester van W. Heisenberg, zal een interpretatie uitwerken die nu, bijna honderd jaar later, nog altijd dominant is. Het is de Kopenhagen – interpretatie. A. Einstein zal echter tot aan zijn dood in 1954 daar ongelukkig over blijven.

De Roaring Twenties waren niet alleen het decor voor een revolutie in de kwantumfysica, maar ook voor jazz, nieuwe technologie, vrouwenemancipatie en een radicale breuk met oude sociale en culturele gewoonten. Achter die bruisende moderniteit schuilden tegelijk economische onzekerheid en politieke spanningen die Europa uiteindelijk een veel donkerdere richting zouden uitsturen





