Niels Bohr

Niels Bohr, 1885 – 1962

Het elektron. Een rebels deeltje (1911 – 1921)

Na de ontdekking van het elektron door J.J. Thomson (1856 – 1940) interesseren wetenschappers zich voor het gedrag van elektronen in atomen en krijgen we atoom-modellen: een primair model van J.J. Thomson zelf (1902), het onstabiele model van E. Rutherford (1911) en dan, als een duivel uit de doos, verschijnt in 1913 het totaal onverwachte en choquerend atoommodel van de Deen Niels Bohr. Voor hem bewegen de elektronen nog op banen rond de kern maar zijn de kinetische energie en het impulsmoment van het elektron gekwantiseerd.

Merkwaardig is dat N. Bohr een numerieke verklaring kan geven aan het lijnspectrum van waterstof (H). Dit model wordt verder uitgewerkt in het Bohr-Sommerfeld-model.

Wetenschappers zoals Milikan en Stern & Gerlach voeren interessante experimenten uit om de eigenschappen van dit elektron beter te leren kennen.

De tijden zijn echter zeer onrustwekkend door o.a. de opkomst van het Nazisme. Duitsers worden niet toegelaten op de Solvayraden van 1921 en 1924.

Hotel Metropole

1897! Doorslaggevend: de ontdekking van het elektron

Zoals vermeld in de Max Planck (1858 – 1947) zaal had in 1911 in Brussel de eerste Solvayraad plaats in het hotel Metropole op het de Brouckèreplein. Tijdens die sessie debatteerde men intensief over de ontdekking van het kwantum van M. Planck en over de in 1905 verschenen publicatie van Albert Einstein (1879 – 1955) waarin deze stelde dat licht uit deeltjes bestaat.

Het kwantum en het corpusculair (deeltjes) karakter van het licht stelden de fysici wel voor ernstige problemen. De discussies tijdens die raad van 1911 waren heftig maar men geraakte er niet uit. Er was nood aan een nieuwe fysica. Men kende het licht in de klassieke fysica als een golf en nu beweerden sommigen dat licht ook een corpusculair karakter had. Ja, deeltjes, zonder massa en met een impulsmoment. Toch erg eigenaardig! We zitten in een andere wereld! Vindt u niet?

Het zal daar echter niet bij blijven. Na zijn studies van de straling in een kathodebuis komt de Britse natuurkundige John J. Thomson (1856 – 1940) tot de conclusie dat die straling in feite ‘corpuscules’ (deeltjes met een massa) zijn. Later zullen ze elektronen genoemd worden.

Ontdekking van het electron via het cathodebuis-experiment (Engels)

De ontdekking van het elektron zal naar nieuwe avonturen leiden en o.a. naar verschillende atoommodellen waarin fysici zich vragen stellen over het gedrag van elektronen in een atoom.

J. J. Thomson zelf stelt een atoommodel voor waarin de negatieve elektronen verspreid zijn in een gelijke positieve geladen brij, net zoals krenten in een pudding, vandaar de naam ‘plumpuddingmodel’.

>> Interactieve simulatie – Verhouding e/m voor het elektron

Robert Millikan bepaalde met zijn beroemde oliedruppel-experiment zeer nauwkeurig de elektrische lading van het elektron door geladen oliedruppeltjes tussen twee elektrische platen te laten zweven. Zijn metingen bevestigden dat elektrische lading in vaste hoeveelheden voorkomt en leverden een belangrijke bouwsteen voor ons moderne beeld van het atoom. Wil je weten hoe Millikan met vallende oliedruppels de lading van één elektron kon bepalen?

Duiding: Experimenten van Millikan met elektronen gevangen in oliedruppeltjes

Een revolutionair model van Rutherford, maar het is onstabiel

Sinds 1896 werkte de jonge natuurkundige Ernest Rutherford (1871 – 1937) uit Nieuw-Zeeland bij John J. Thomson (1856 – 1940) aan het Cavendish – laboratorium. Het zijn twee leerlingen van E. Rutherford, namelijk Hans Geiger (1882 – 1945) en Ernest Marsden (1889 – 1970), die verder onderzoek verrichtten naar het atoommodel.

de (mislukte) poging voor een atoommodel

In de experimenten van Geiger en Marsden worden ionen van He (He++ of α-deeltjes) gestuurd op een gouden folie. Deze folie was omringd door een circulair scherm, dat verrijkt werd met de chemische stof ZnS. Daardoor werd het mogelijk de botsing van α-deeltjes tegen het scherm te visualiseren.

In het experiment van H. Geiger en E. Marsden vliegen het merendeel van de He ionen gewoon rechtdoor MAAR 0.01 % ondergaat belangrijke afwijkingen. Dat was onverwacht. Na zijn aanvankelijke verbazing durft E. Rutherford toch een nieuw atoommodel voorstellen.

Volgens zijn interpretatie van de resultaten is een atoom essentieel leeg en vliegen de meeste van de ionen er gewoon door. Wel bestaat er in het midden van het atoom een heel klein eilandje – nu kern genoemd – ongeveer +/-100.000 keer kleiner dan het atoom. Enkele van die He ionen ondergaan een onelastische botsing met die kern waardoor zij worden weg gekaatst.

Op de tweede Solvayraad te Brussel in 1913 stelt E. Rutherford zijn atoommodel voor waar elektronen op een baan rond de kern circuleren net zoals de planeten rond de zon draaien: “het planeten-model”. Bravo E. Rutherford, maar daar klopt iets niet! Op basis van de wetten van de klassieke fysica kan dit model niet stabiel zijn.

De snelheidsvector v van elektronen op een cirkelbaan ondergaan een verandering van snelheid en dus een versnelling. Nu leert ons het elektromagnetisme van James Clerk Maxwell (1831 – 1940) dat een versnellend geladen deeltje energie uitstraalt en dus energie verliest. Het gevolg zal zijn dat het ronddraaiende elektron binnen de kortste tijden op de kern zal vallen. Bijgevolg zal dan de materie collapsen.

Mooie poging, Ernest, maar je zal je atoommodel moeten herzien.

Het Rutherford model (Engels, 5:20)

Een gewaagd voorstel van Niels Bohr, én het verklaart de lijnspectra

Soms begint een grote wetenschappelijke doorbraak niet met een antwoord, maar met een raadsel. Aan het einde van de 19de eeuw konden natuurkundigen het licht van atomen al verrassend nauwkeurig ontleden. Ze zagen dat elk chemisch element zijn eigen karakteristieke patroon van heldere kleuren en lijnen vertoonde, bijna als een unieke lichtcode. Voor waterstof waren die lijnen zelfs zo regelmatig dat er een wiskundige formule voor kon worden opgesteld. Maar wat betekenden die lijnen eigenlijk? Waarom straalde een atoom precies die kleuren uit, en geen andere?

Dat was het grote probleem. De experimenten waren duidelijk, de cijfers klopten, maar de natuurkundige verklaring ontbrak volledig. Om die te vinden, zou men het vertrouwde beeld van het atoom grondig moeten herzien — en zelfs enkele van de meest vanzelfsprekende regels van de klassieke natuurkunde moeten loslaten. De man die deze gewaagde stap zou zetten, was een jonge Deense natuurkundige: Niels Bohr. Met enkele ogenschijnlijk eenvoudige hypotheses zou hij niet alleen het raadsel van het waterstofspectrum aanpakken, maar ook een van de belangrijkste deuren openen naar de kwantumfysica.

Ter herinnering

Er eerst toch even aan herinneren dat in de tweede helft van de 19de eeuw Gustaaf Kirchhoff (1824 – 1887) en Robert Bunsen (1811 – 1899) al mooi gekleurde emissiespectra hadden waargenomen voor o.a. H (waterstof), He (helium) en Hg (kwik). Men noemt deze twee mannen wel eens de vaders van de spectroscopie.

Staaltjes met deze chemische elementen werden in een vlam gehouden en de emissiespectra werden met een telescoop waargenomen. Voor waterstof H verschenen in het zichtbare gedeelte van het elektromagnetisch spectrum vier lijnen bij de golflengtes λ 410, 434, 486 nm en een rode lijn bij 656 nm.

De Zwitserse wiskundige Johan Balmer (1825 – 1898) had ook in 1885 een formule ontdekt die de golflengtes van deze lijnen voorspelde namelijk:

λ=bm2m2−n2λ = \frac{b m²}{m² – n²}

waarin b een constante is. De vier emissielijnen in het zichtbare vindt men terug met n=2 en m= 3,4,5 en 6.

Er was echter niemand, die de natuur of de oorsprong van deze spectra kon verklaren…

De hypotheses van Bohr

Niemand die de natuur of de oorsprong van deze spectra kon verklaren? Of misschien toch wel…

Want een jonge wetenschapper uit Denemarken gaat hier verandering in brengen. De Solvayraden werden tijdens de eerste wereldoorlog 14-18 niet georganiseerd. Na de oorlog nodigde men op de derde raad in 1921 de Duitse geleerden niet uit.

Tijdens die derde raad ligt echter het probleem van het atoommodel terug op tafel en de show wordt gestolen door iemand, die niet eens aanwezig was, namelijk de Deense natuurkundige Niels Bohr (1885 – 1962). Het is een wetenschapper die niet alleen met zijn atoommodel een keerpunt zal betekenen in dit kwantumavontuur maar ook een essentiële rol gaat blijven spelen in de ontwikkeling van deze nieuwe fysica.

Voor het atoommodel deed Niels Bohr in 1913 een onverwacht voorstel.

Bohr’s eerste hypothese

Van E. Rutherford neemt hij het beeld over van de op een baan rond de kern draaiende elektronen. Maar hij gaat de kwantum gedachte van M. Planck volgen en de energie van een elektron op die baan kwantiseren. Volgens N. Bohr zijn er maar bepaalde energiewaarden mogelijk en zo kan volgens hem de kinetische energie van een elektron enkel volgende waarden aannemen.

EKIN=n(hf2)E_{\mathrm{KIN}} = n \left(\frac{hf}{2}\right)

waar n een geheel natuurlijk getal is. Hier is de letter f de omloopfrequentie op de toegelaten baan en h is de constante van Planck.

Het elektron kan slechts op circulaire banen circuleren en op welbepaalde afstanden van de kern. Het bevindt zich daar op een stabiele baan.

Bohr’s tweede hypothese

Hij stelt ook dat een elektron kan overgaan van een stabiele baan naar een andere stabiele baan door energie op te nemen of af te staan onder de vorm van licht. De frequentie f van het invallende of uitgestraalde licht – zo stelt Bohr – zal gelijk zijn aan

ΔE=hf\Delta E = hf

Misschien niet bij heldere hemel, maar dit was wel een donderslag. Maar het merkwaardige was ook dat N. Bohr in staat was met zijn hypothetische regels de emissielijnen van waterstof H te berekenen.

Animatie: Het Bohr model

Niels Bohr was een van de grondleggers van de atoomfysica en kwantummechanica: zijn atoommodel uit 1913 maakte hem wereldberoemd en leverde hem in 1922 de Nobelprijs voor fysica op. Naast zijn wetenschappelijke werk speelde hij ook een belangrijke maatschappelijke rol, van zijn vlucht voor de nazi’s en deelname aan het Manhattanproject tot zijn latere pleidooi voor internationale samenwerking en het vreedzame gebruik van kernenergie.

Excursie: Het leven en werk van Niels Bohr

De fysici verslikken zich in het atoommodel van Niels Bohr

Het was een bom in die nieuwe wereld! Het was onverwachts, ja merkwaardig.

Veel wetenschappers, en niet de minsten, verwerpen dit atoommodel. Paul Ehrenfest (1880 – 1930) zal o.a. zeggen: “Als dit de weg is om de ‘graal’ te vinden dan wil ik geen natuurkunde meer doen”. Ook Joseph. J. Thomson (1856 – 1940), Max Planck (1858 – 1947) en nog enkele anderen hebben het moeilijk om het model van Niels Bohr (1885 – 1962) te aanvaarden. Er was oppositie op verschillende punten. Zij verwierpen onder andere het elektromagnetisme, het volgen van stationaire cirkelbanen zonder energie te verliezen en de discontinuïteit bij de overgang van het elektron van de ene naar de andere baan. “Waar zit dan dat elektron tijdens zijn overgang?” was een veel gestelde vraag.

Na aanvankelijke twijfels vond Albert Einstein (1879 – 1955) het toch een waardevolle hypothese, zelfs een geniaal voorstel.

En inderdaad, het is N. Bohr, die met deze kwantificatie van de energie voor het elektron op de circulaire banen rond de kern de golflengtes van de emissielijnen voor waterstof zal kunnen berekenen. Zuiver hypothetisch maar inderdaad: geniaal! Men kan er verschillende fysische grootheden voor het atoom mee berekenen.

Berekening van de straal r

In het atoommodel van N. Bohr zijn er wel enkel bepaalde hoeveelheden energie mogelijk en kan het elektron zich maar op wel bepaalde afstanden van de kern van het atoom bewegen. We houden het hier nog bij circulaire banen met een straal r rond de kern.

De energie van dat elektron is de som van zijn kinetische energie en zijn potentiële energie.

De potentiële energie in het veld van de kern met referentie 0 op oneindig is

EPOT=−ke2rE_{POT }=-\frac{ke^2}{r}

met k = 8,988 109 Nm2 C-2

Het elektron ondergaat een radiale versnelling a= v2/r. De grootte van de snelheid blijft hier constant. De grootte van de centripetale kracht is de grootte van de elektrische kracht:

mv2r=ke2r2‘⟹12mv2=+12ke2r\frac{mv^2}{r} =k\frac{e^2}{r^{2`}} \Longrightarrow \frac{1}{2}mv^2= +\frac{1}{2}k\frac{e^2}{r}

De kinetische energie is dus:

EKIN=+12ke2rE_{KIN} = +\frac{1}{2}k\frac{e^2}{r}

Dit geeft dan voor de totale energie:

ETOT=−ke22rE_{TOT} = -k\frac{e^2}{2r}

Het vertrekpunt van N. Bohr is dat de energie van het elektron gekwantiseerd is en hij formuleert de kwantumvoorwaarde voor de kinetische energie als volgt:

EKIN=nhf2E_{KIN} = n\frac{hf}{2}

waar f de omloopfrequentie op de toegelaten baan is en n is een geheel natuurlijk getal 1, 2, 3, ……..

Met kennis van die energie kunnen dus de stralen rn van de cirkelbanen van het elektron berekend worden.

Kwantificatie van het impulsmoment

Uit de kwantumvoorwaarde voor de stationaire banen kan men ook de kwantisering van het impulsmoment afleiden:

L→=m r→×v→\vec{L} = m\ \vec{r} \times \vec{v}

In de kwantumwereld is het impulsmoment een belangrijke fysische grootheid.

Ook in de kwantumwereld geldt de wet van behoud van impulsmoment (klassiek).

Voor een cirkelbaan is de grootte van het impulsmoment \(\vec{L} = m\,\vec{r} \times \vec{v}\)

De grootte van de omloopfrequentie f is ook \(\frac{1}{T} = \frac{v}{2\pi r}\).

Uit de kwantificatie van de kinetische energie:

12mv2=n(hf2)\frac{1}{2} mv^2 = n(h \frac{f}{2})
12mv2=nh2v2πr\frac{1}{2} mv^2 = \frac{nh}{2} v2\pi r

volgt dan voor de grootte van het impulsmoment:

m.v.r=n(h2π)m.v.r = n(\frac{h}{2\pi})

met n = 1,2,3, …

Dit zal een van de belangrijke formules van de kwantumfysica worden.

Behoud impulsmoment (15 min., in Engels)

Arnold Sommerfield en Niels Bohr werken samen verder, maar het model is nog niet af

Het atoommodel van Bohr was een spectaculaire stap vooruit, maar het bleek al snel geen eindpunt. De invoering van het hoofdkwantumgetal n maakte duidelijk dat de natuur op atomaire schaal blijkbaar alleen bepaalde, discrete energiewaarden toeliet — een vreemd en weinig intuïtief idee. Maar één enkel getal volstond niet om het gedrag van elektronen volledig te beschrijven. Hoe zit het bijvoorbeeld met de vorm en oriëntatie van hun banen, of met hun gedrag in een magnetisch veld? Terwijl experimenten steeds verfijnder werden, bleek het atoom complexer dan Bohrs eenvoudige cirkelbanen deden vermoeden. Nieuwe onderzoekers, onder wie Arnold Sommerfeld, zouden daarom nieuwe kwantumgetallen en nieuwe experimenten introduceren. Stap voor stap kreeg het elektron zo steeds meer eigenschappen — en werd tegelijk duidelijk hoe merkwaardig de kwantumwereld werkelijk is.

In het voorstel van N. Bohr waren de kinetische energie en het impulsmoment op de circulaire banen gekwantiseerd. Met die kwantisering verscheen het hoofdkwantumgetal n waar n enkel natuurlijke gehele waarden kon aannemen. Het geeft de basale energieniveaus voor het elektron op zijn baan in het atoom.

Het werd heel vlug duidelijk dat alleen met n men niet alle eigenschappen van het elektron op zijn baan kon weergeven. Wat kan men bijvoorbeeld vertellen over de oriëntatie van die atomen in een magnetisch veld? Is die random of slechts volgens toegestane richtingen.

Er zullen andere kwantumgetallen verschijnen. Met Arnold Sommerfeld (1868 – 1951) komt er in 1916 een tweede kwantumgetal bij: het nevenkwantumgetal l, ook wel impuls-momentkwantumgetal genaamd. Deze l zal de vorm van het orbitaal beschrijven, dus het impulsmoment van het om de atoomkern draaiende elektron. Dat impulsmoment l= mvr is ook gekwantificeerd, maar voor een circulaire baan neemt het waarde 0 aan. Voor niet circulaire banen zal het de waarden 1 tot de waarde n-1 kunnen hebben.

Het model van N. Bohr werd uitgebreid door A. Sommerfeld waar o.a. naast de circulaire banen van N. Bohr nu ook elliptische banen mogelijk worden.

Daarna zullen anderen, o.a. zijn leerling Petrus J. W. Debye, het onderzoek verderzetten en verschijnen het magnetisch kwantumgetal voor het impulsmoment m en spinkwantumgetal s. Ook leuke experimenten worden bedacht en uitgevoerd om stellingen te verwerpen of te staven zoals het experiment van Stern en Gerlach.

Stern & Gerlach experiment (1:30, Engels)

In 1922 toonden Otto Stern en Walther Gerlach met een bundel zilveratomen in een ongelijkmatig magnetisch veld aan dat atomaire magnetische momenten niet willekeurig, maar slechts in discrete richtingen kunnen voorkomen. Het experiment leverde zo een belangrijke experimentele bevestiging van de kwantisering op atomaire schaal en werd een mijlpaal in de ontwikkeling van de kwantumfysica.

Duiding: Het Stern & Gerlach experiment

Arnold Sommerfeld was een van de grondleggers van de kwantumtheorie: hij verfijnde het atoommodel van Niels Bohr, introduceerde nieuwe kwantumgetallen en leidde in München een uitzonderlijke generatie natuurkundigen op. Tijdens het naziregime verdedigde hij bovendien openlijk zijn Joodse collega’s en verzette hij zich tegen de politieke inmenging in de wetenschap.

Excursie: Het Leven van Arnold Sommerfeld

Golf en deeltje tegelijkertijd? Het is een feit!

Tegen het begin van de jaren 1920 stapelen de vreemde ontdekkingen zich op. Energie blijkt gekwantiseerd, licht gedraagt zich zowel als golf als deeltje en elektronen lijken zich in atomen alleen volgens welbepaalde regels te mogen bewegen. Planck, Einstein, Bohr en Sommerfeld hebben elk een belangrijk stuk van de puzzel aangebracht, maar het geheel blijft verbrokkeld: men beschikt over succesvolle formules en verrassende experimenten, zonder één theorie die alles samenbrengt. Net in die periode duiken nieuwe ideeën op die nog radicaler zijn dan de vorige. Wat als niet alleen licht, maar ook materie een golfkarakter heeft? En wat als de klassieke voorstelling van een elektron dat netjes rond een atoomkern cirkelt helemaal moet worden losgelaten? De zoektocht naar een samenhangende kwantumtheorie staat op het punt in een beslissende fase te komen.

Met het theoretische en experimentele werk van Max Planck (1900 – zwart lichaam) en de interpretatie van het foto-elektrisch effect door Albert Einstein (1905 – licht heeft naast zijn golfkarakter ook een corpusculair karakter, en zijn daaropvolgende resultaten (1909- de Einsteins fluctuatieformules bestaan uit twee termen) is de dualiteit (golf en deeltje) wel een experimenteel feit geworden.

Daarnaast beweert Niels Bohr in 1913 dat de elektronen in een atoom slechts op wel bepaalde banen kunnen circuleren. Hij kwantificeert de kinetische energie en het impulsmoment van die elektronen en geeft daarmee aan die elektronen een eerste en ook hoofdkwantum getal n (geheel getal).

Arnold Sommerfeld zal zich nog grondiger over de energietoestanden van die elektronen buigen en voert in 1916 voor het impulsmoment het nevenkwantumgetal en tweede kwantumgetal l in.

We zijn al goed in die kwantumwereld binnen gedrongen.

Na de oorlog 14-18 worden de Solvayraden terug georganiseerd. De derde in 1921 heeft weer plaats in het hotel Metropole (centrum Brussel) en het is H. Lorentz die het voorzitterschap heeft behouden. Het thema is ‘atomen en elektronen’. Onder de 25 deelnemers zijn o.a. mevrouw M. Curie, A. Millikan, P. Zeeman, E. Rutherford. A. Einstein was op dat moment in de Verenigde Staten samen met Chaim Weizman.

De show werd gestolen door de Deense fysicus N. Bohr die er niet eens aanwezig was. Hij trad op de voorgrond met zijn gekwantificeerd atoommodel en het eerste hoofd kwantumgetal n. A. Sommerfeld, ook niet aanwezig, had zich verdiept in de energiestructuur van elektronen in atomen en had o.a. een tweede nevenkwantumgetal l voor het gekwantificeerde impulsmoment ingevoerd. Het was wel een zeer actieve periode en een raad – zoals veel andere – met een vooruitblik op het begrijpen van de fysica.

De secretaris van die raad was Maurice de Broglie, een fysicus geïnteresseerd in de diffractie van X-stralen door metalen. Terug thuis gaf hij aan zijn broer Louis de Broglie een verslag over de besprekingen van het atoommodel op die raad van 1921. Louis had toen al een graad in geschiedenis maar zijn interesse veranderde en hij richtte zich op de theoretische natuurkunde. Jaren later zal hij in 1924 als kers op de taart een zeer gewaagde hypothese voorstellen en postuleren dat elektronen in een atoom een golfkarakter hebben.

De verzameling van deze onverwachte en merkwaardige feiten vormen in 1921 vele losse puzzelstukken maar de samenhang ontbreekt: een totaalbeeld heeft men niet.

Twee natuurkundigen, Werner Heisenberg (1901 – 1976) en Eric Schrödinger (1887 – 1967), werkten beiden wel aan formuleringen van een theorie. Maar in 1921 is er nog geen echte doorbraak naar een globale overkoepelende theorie. In de Solvayraden van 1927 en 1931 zal men grote stappen zetten naar die coherente verklaring voor de nieuwe fysica. De gewaagde hypothese die Louis de Broglie in 1924 formuleerde zal in 1927 ook experimenteel bevestigd worden.

Na de Eerste Wereldoorlog werden Duitse en Oostenrijkse wetenschappers geweerd van internationale congressen, ook van de Solvayraden van 1921 en 1924. Zelfs Einstein ontsnapte nauwelijks aan die boycot, ondanks zijn pacifistische houding en afstand van het beruchte Manifest der 93.

Excursie: Duitse en Oostenrijkse geleerden geweigerd op Solvayraden van 1921 en 1924


Kwantumhuis

Het Kwantumhuis is een project op basis van onderzoek en redactiewerk van Henri Eisendrath en Gaston Moens.
Eindredactie & films Fonk vzw.

Tot stand gekomen dankzij de onontbeerlijke steun van Fonds Kristel Van Ouytsel, onze hoofdsponsor.

In samenwerking met…

© 2026 – Alle rechten voorbehouden. Vrij gebruik voor educatieve doeleinden in klasverband.