De tragiek van Max Planck
Max Planck (1858 – 1947) kreeg de Nobelprijs voor fysica in 1918 voor zijn verdiensten voor de vooruitgang van de fysica door de ontdekking van energiekwanta. Hij wordt wel eens de vader van de kwantumtheorie genoemd. Hij was één van de belangrijkste en meest gerespecteerde fysici in het Duitsland voor WO II. Niet alleen omwille van zijn wetenschappelijk werk maar ook om zijn rechtschapenheid en integriteit.
Hij doorstond de vele tegenslagen in zijn leven op stoïcijnse wijze. Zo beleefde hij een zeer moeilijke periode tijdens de periode van de nazi-regering in Duitsland, toen hij het als zijn plicht voelde om in zijn land te blijven maar openlijk gekant was tegen een deel van het beleid van de regering, met name met betrekking tot de vervolging van de Joden.
Dat was niet zo in Eerste Wereldoorlog (WO I). Toen ondertekende hij als één van de 93 prominente Duitse wetenschappers, kunstenaars en intellectuelen in oktober 1914, kort na het begin van de WO I, een manifest. Daarin betuigden ze hun steun aan het beleid van de Duitse regering en de oorlogsinspanningen. Ze wensten de wereld te overtuigen van de rechtvaardigheid van Duitslands positie. Dat werd hen na de oorlog, met zijn gruweldaden – o.a. de brandschatting van Leuven – zeer kwalijk genomen.
In de laatste weken van de oorlog leed hij grote ontberingen nadat zijn huis door bombardementen was verwoest.
M. Planck is twee keer getrouwd. Bij zijn benoeming tot universitair hoofddocent (1885) in zijn geboortestad Kiel trouwde hij met een vriendin uit zijn jeugd, Marie Merck, die in 1909 overleed. Hij hertrouwt in 1911 met haar nicht Marga von Hösslin (+ 1947).
Drie van zijn kinderen sterven jong. Hem overkwam een grote persoonlijke tragedie toen een van zijn twee zonen werd geëxecuteerd voor zijn aandeel in een mislukte poging om Adolf Hitler te vermoorden in 1944. M. Planck overleed op 4 oktober 1947 in Göttingen. Volgens zijn collega James Franck beschouwde hij zijn afscheid van het leven als een verlossing.


