Conflict tussen Albert Einstein en Philipp Lenard
Philipp Lenard (1862 – 1947) startte zijn carrière als een briljant fysicus die op vele gebieden een belangrijke bijdrage leverde. Hij kreeg in 1905 de Nobelprijs voor fysica voor zijn werk rond het foto-elektrisch effect en rond kathodestralen, waarvan hij vóór Joseph Thomson (1856 – 1940) al vermoedde dat ze uit geladen deeltjes bestonden.
De publicatie van A. Einsteins artikel over het foto-elektrisch effect in 1905 trok zijn aandacht. Er vond een korte briefwisseling tussen beide wetenschappers plaats waarin interpretaties van spectraallijnen en het foto-elektrisch effect werden besproken.
Deze brieven en die van A. Einstein aan Ph. Lenards assistent Jakob Laub laten zien dat Ph. Lenard en A. Einstein een grote bewondering en respect voor elkaar hadden. A. Einstein noemde Ph. Lenard een groot meester en genie. Ph. Lenard wilde nog in 1913 een persoonlijkheid als A. Einstein als professor in Heidelberg aanstellen.
Einstein ging in op Ph. Lenards bezwaren. Deze reageerde opnieuw en in deze publicaties kwam de persoonlijke kant van het conflict steeds meer op de voorgrond. De definitieve breuk kwam in 1920 toen een zekere Paul Weyland (1888 – 1972) in Berlijn een antisemitische campagne tegen A. Einstein en zijn natuurkunde organiseerde, waarbij Ph. Lenards naam werd gebruikt.
Uit Ph. Lenards correspondentie met Johannes Stark en Ernst Gehrcke (1878 – 1960) blijkt dat P. Weyland Ph. Lenards naam had misbruikt. A. Einstein, die dit niet wist, viel Ph. Lenard aan in een krantenartikel. Deze was diep gekwetst en eiste een openbare verontschuldiging.
Een poging van Arnold Sommerfeld om de twee collega’s te verzoenen, liep op een mislukking uit.
In september 1920 kwamen A. Einstein en Ph. Lenard in Bad Nauheim in een verhitte discussie tegenover elkaar te staan en vanaf dat moment speelde Ph. Lenards persoonlijke antisemitisme een steeds centralere rol in zijn verzet tegen de relativiteitstheorie en haar grondlegger.


Samen met Johannes Stark (1874 – 1957, Nobelprijs fysica 1919) probeerde hij een onderscheid te maken tussen een Arische en een Joodse natuurkunde, een onderscheid dat in hun optiek veelal samenviel met dat tussen experimentele en theoretische natuurkunde.
In 1936 kwam zijn leerboek Deutsche Physik (“Duitse Fysica”) uit. Dit behandelt noch de relativiteitstheorie, noch de kwantummechanica. In het voorwoord geeft hij zijn houding aan: “In Wirklichkeit ist die Wissenschaft, wie alles was Menschen hervorbringen, rassisch, blutmäßig bedingt.” (In werkelijkheid wordt de wetenschap, zoals alles wat mensen voortbrengen, door ras en bloed bepaald).

In 1937 werd hij lid van de NSDAP, de nazipartij. Binnen de stroming van de Deutsche Physik bleef hij de intellectueel en nam hij, in tegenstelling tot J. Stark, geen deel aan verdere politieke activiteiten.

